Les 11 Flashcards
1
Q
Quiet / slow
A
Rustig
2
Q
Traffic
A
Het verkeer
3
Q
Sufficient
A
Voldoende
4
Q
Beginning
A
Het begin
5
Q
Century
A
De eeuw
6
Q
To build
A
Bouwen
7
Q
Completely
A
Helemaal
8
Q
Style
A
De stijl
9
Q
Corridor
A
De gang
10
Q
High
A
Hoog
11
Q
Ceiling
A
Het plafond
12
Q
Ornate
A
Het ornament
13
Q
Door
A
De deur
14
Q
Wood
A
Het hout
15
Q
Wooden
A
Houten
16
Q
Floor
A
De vloer
17
Q
Fantastic
A
Fantastisch
18
Q
Everything
A
Alles
19
Q
Past, over
A
Afgelopen, voorbij
20
Q
Bathroom
A
De badkamer
21
Q
Rather (that’s rather nice)
A
Nogal
22
Q
Kitchen
A
De keuken
23
Q
Alone
A
Alleen
24
Q
A few
A
Een paar
25
Q
Everybody
A
Iedereen
26
Q
To help
A
Helpen
27
Q
All
A
Allemaal
28
Q
Curtain
A
Het gordijn
29
Q
Living room
A
De woonkamer
30
Q
To paint
A
Schilderen
31
Q
The move
A
De verhuizing
32
Q
Ago
A
Geleden
33
Q
Finished
A
Klaar
34
Q
Box
A
De doos
35
Q
Chore
A
Het klusje
36
Q
Garden
A
De tuin
37
Q
Narrow
A
Smal
38
Q
Deep
A
Diep
39
Q
Green
A
Groen
40
Q
To make tea
A
Thee zetten
41
Q
Very beautiful
A
Prachtig