Hoofdstuk 3: Aan de balie Flashcards

1
Q

beginnen met

A

to start with

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

jarig zijn

A

to have one’s birthday

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

nodig hebben

A

to need

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

tellen

A

to count

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

weten

A

to know

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

willen

A

to want

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Ik ben geboren (geboren zijn)

A

I was born (to be born)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Ik kan (kunnen)

A

I can

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Ik was (zijn)

A

I was (to be)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

hij geeft (geven)

A

He gives (to give)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

de balie(s)

A

Desk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

de geboortedatum (de geboortedata)

A

date of birth

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

De leeftijd(en)

A

age

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

De plaats

A

place

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

De secretaresse(es)

A

secretary

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

de verjaardag(en)

17
Q

het adres (de adressen)
het emailadres

A

address
email address

18
Q

het formulier (de formulieren)
het inschrijfformulier

A

form
enrolment form

19
Q

het getal (de getallen)

20
Q

verplicht(e)

21
Q

meer
Je wilt graag meer informatie

A

more
you would like more information

22
Q

Echt waar? Ja, echt

A

Really? Yes, really

23
Q

Nog een fijne dag!

A

Have a nice day!

24
Q

Oké

25
Q

Dat kan

A

That’s possible

26
Q

Prima!

27
Q

Conjugate Hebben

A

Ik -> Heb
Jij -> Hebt
Wij -> Hebben

28
Q

Conjugate Zijn

A

Ik -> ben
Jij-> bent // hij -> is
Wij -> zijn

29
Q

0

30
Q

1-10

A

één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien

31
Q

11-20

A

elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien, twintig

32
Q

21-29

A

éénentwintig, tweëëtwintig, drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig

33
Q

30
40
50
60
70
80
90

A

dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig

34
Q

100
200
300

1000
2000
3000

A

honderd, tweehonderd, driehonderd

duizend, tweeduizend, drieduizend

35
Q

Maanden

A

Januari, Februari, Maart, April, Mei, Juni, Juli, Augustus, September, Oktober, November, December

36
Q

Preposities
Ik begin graag in September
Ik ben geboren in 1998
Ik ben jarig op 10 april
wanneer wilt u beginnen met de cursus