Hoofdstuk 1: In de les Flashcards
Ik ben (zijn)
I am (to be)
Ik heet (heten)
My name is
Ik kan (kunnen)
I can, I am able to (to be able to)
Ik kom uit (komen uit)
I am/ come from (to be/come from)
Ik woon in (wonen in)
I live in (to live in)
Ben je? (zijn)
Are you? (to be)
Heb je? (hebben)
Do you have? (to have)
Gebruik (gebruiken)
Use (to use)
Maak (maken)
Make (to make)
De naam (de namen)
name (names)
De achternaam(en)
last name
de roepnaam(en)
given name
de voornaam(en)
first name
de nationalitiet(en)
nationality
het land (de landen)
country (countries)
het land van het herkomst
country of origin
De stad (de steden)
city (cities)
De taal (talen)
language(s)
De moedertaal(en)
Mother tongue
De woonplats(en)
Place of residence
(het) Nederlands
Dutch
Ik spreek Nederlands
I speak Dutch
Het voorbeeld (de voorbeelden)
example (examples)
Leuk (leuke)
nice
alleen
Ik spreek alleen Italiaans
Only
I only speak Italian
Dus
so
een
a, an
elkaar
each other
en
and
Iemand
Somebody
Je
Waar woon je?
You (unstressed)
where do you live?
Je
Wat is je voornaam?
Your (unstressed)
What is your first name?
Jij
you (stressed)
Jouw
Your (stressed)
Maar
But
Mijn
My
Morgen
tomorrow
Nog een keer
Kijk nog een keer naar de tekst
again, once more
Look at the text again
Nog meer
Welke talen spreek je nog meer?
(even) more; here; other
Which other languages do you speak?
Of
or
Ook
also, too
Waar….vandaan?
where….from?
welk (welke)
which
Wat leer je in dit hoofdstuk
What will you learn in this chapter?
Klaar voor de start
Ready, steady, go
Wat leuk!
how nice!
Personen
Wie ben jij?
Waar woon je?
Wat is jouw naam?
Wat is je naam?
Who are you?
Where do you live?
What is your name?
What is your name?
Verba
Hoe heet je?
Ik woon in Nijmegen
Welke talen spreek je?
Mijn voornaam is Aziz
Wie ben jij?
What is your name?
I live in Nijmegen
What languages do you speak?
My first name is Aziz
Who are you?
Vraagworden
Wat, Wie, Hoe, Waar
Waar kom je vandaan
Uit welk land kom je
Welke nationalitiet heb je?
Klanken
aa: naam, taal, vraag
ee: heet, lees, spreek
oo: hoor, ook, woon, woord
ie: niet, wie
ië: België, Italië, Syrië
ij: jij, mijn, schrijf
oe: boek, goed, hoe
ui: Duits, luister, uit