hc 6 Flashcards

1
Q

soorten uitlaatkleppen

A
  1. echte uitlaatkleppen (sporten huilen etc.)
  2. imaginaire uitlaatkleppen
  3. sociale interactie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

sociale interactie

A

kan positief of negatief beïnvloeden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

positieve reactie sociale interactie

A

als we met mensen zijn waar we goed mee kunnen opschieten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

negatieve reactie sociale interactie

A

als we met mensen zijn waar we minder goed mee kunnen opscjieten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

outlets of frustration

A

manier waarop je ziet dat het niet goed gaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

oorzaken mentale stress

A
  1. voorspelbaarheid
  2. controle over de situatie
  3. perceptie van de situatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

methodes om voorspelbaarheid te verbeteren

A
  • decision aids
  • afstemmen verwachtingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

decision aids

A

keuzehulp methodes aanbieden, actief betrekken bij keuzes maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

learned helplesness

A
  • mensen die het idee hebben dat ze toch niks kunnen veranderen aan de situatie
  • verhoogde levels van glucocorticoïden
  • lagere levels norepinefrine
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

symptomen depressie

A
  • schuldgevoel
  • focus negatieve dingen
  • psychomotorische retardatie
  • vegetatieve symptomen (slaap, honger)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Freud over depressie

A

agressief naar jezelf toegekeerd en veel schuld op jezelf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

mogelijke mechanismes die leiden tot depressie

A
  1. chronische activatie SNS -> vermoeidheid -> depressie
  2. chronisch onderactief stressrespons -> moeilijk om energie te mobiliseren -> vermoeidheid -> gedrag die past bij depressie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

anhedonie

A

onvermogen om plezier te voelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

bipolaire depressie

A

manische en depressieve periodes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

seizoensgebonden depressie

A

piek in mei en oktober
- mogelijk door temperatuurveranderingen door bruinweefsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

bruine weefsel (BAT)

A

bruin weefsel wordt geactiveerd door sympatisch zenuwstelsel
- zorgt voor reguleren lichaamstemperatuur

17
Q

activatie bruine weefsel

A
  • veel en grote temperatuur veranderingen triggeren metabolische activatie van bruine weefsel
  • verhoogd gevoeligheid waardoor bruine weefsel overactief wordt
18
Q

gevolg overactief bruin weefsel

A
  • melancholie
  • verlies honger
  • insomnia
  • anhedonie
19
Q

depressie en glucocorticoïden

A
  • onderdrukking immuunsysteem
  • verhoogde kans op ziektes door schade cardiovasculaire systeem
  • atrofie in hippocampus
  • verlaagd volume in hippocampus
20
Q

gevolg schade prefrontale cortex door stress

A
  • verlies nadenken en redeneren
  • emotionele reacties verhogen
  • geheugen doet het minder goed
  • verstoorde besluitvorming
21
Q

angststoornissen

A

geassocieerd met acute stress
- niet de stressor per se, maar perceptie hiervan
- amygdala -> glucocorticoïden maken amygdala gevoeliger voor angst

22
Q

hormonale verklaringen PTSD

A
  • hyperactieve HPA-as
  • vooraf weinig cortisol en je hebt cortisol nodig om te herstellen
  • chronisch lage levels serotonine
23
Q

type D persoonlijkheid en stress

A
  • negatief affect en sociale inhibitie
  • associatie met cardiovasculaire ziektes
  • associatie met verhoogde moraliteit bij patienten hart en vaat ziekten
24
Q

andere stoornissen gelinked aan stress

A
  • hypocondrie
  • depersonalisatie stoornis
  • dossociatieve identiteit stoornis
25
Q

lange termijn stress en brein

A
  • kan zenuwcellen (grijze stof) aantasten en connecties tussen zenuwcellen (witte stof) aantasten