Weak Verbs H-O Flashcards
haasten
haastte
hebben gehaast
to rush, make hurry
(ref.) to hurry, hasten
hagelen
hagelde
hebben gehageld
to hail [impersonal verb]
hakken
hakte
hebben gehakt
to chop, hack, hew, mince, hoe
to bash, slash away at, cut away
to nag, carp
halen
haalde
hebben gehaald
to fetch, go for to get, take, pass (grades, exams) to reach, catch, make to pull, draw, scrape through to compare with (bij) to withdraw (money) to lower, bring down to call on, come for, meet
handelen
handelde
hebben gehandeld
to trade, do/transact business, deal
to act, take action (also theater)
to treat of, deal with (over)
to traffic, push (drugs)
haten
haatte
hebben gehaat
to hate
hechten
hechtte
hebben gehecht
to adhere, stick to fasten, affix, hold together to stitch, suture, sew up to attach (importance, value) (aan) to be attached, devoted to (aan) (ref.) to become attached to (aan)
heersen
heerste
hebben geheerst
to rule, reign (over)
to be, be prevalent
heiligen
heiligde
hebben geheiligd
to sanctify, consecrate, dedicate
to keep holy, hallow
hellen
helde
hebben geheld
to incline, slope, slant, lean over
to tend, tilt toward (ships)
hengelen
hengelde
hebben gehengeld
to fish, angle
to fish for (work, etc.) (naar)
herbergen
herbergde
hebben geherbergd
to lodge, accommodate, house
to harbour
to contain, hold
herhalen
herhaalde
hebben herhaald
to repeat, reiterate, redo, revise
to rerun (program)
to summarize, recapitulate
(ref.) to repeat oneself
herinneren
herinnerde
hebben herinnerd
to remind, recall (aan)
(ref. ) to recall, remember
(ref. ) to be reminded
herkennen
herkende
hebben herkend
to recognize, know again, identify
hernieuwen
hernieuwde
hebben hernieuwd
to renew
heroveren
heroverde
hebben heroverd
to reconquer, retake, recover
to regain, recapture
herstellen
herstelde
zijn hersteld
to repair, mend to restore, reestablish to recover, recuperate (from illness) to rectify, right, correct, retrieve to rehabilitate, reinstate (in) (ref.) to rally, recover oneself
hertrouwen
hertrouwde
zijn hertrouwd
to remarry, marry again
hervormen
hervormde
hebben hervormd
to reform, amend
hikken
hikte
hebben gehikt
to hiccup
hinderen
hinderde
hebben gehinderd
to hinder, impede, hamper, obstruct
to trouble, annoy, bother, worry
to interfere with
hinken
hinkte
hebben gehinkt
to limp, hobble
to walk with a limp, hop
hoeden
hoedde
hebben gehoed
to guard, tend, watch, look after
ref.) to beware, guard against (voor
hoesten
hoestte
hebben gehoest
to cough
honen
hoonde
hebben gehoond
to jeer, taunt, insult
to deride, scoff at
hoog-achten
achtte hoog
hebben hooggeacht
to esteem, respect
hoogachtend: yours sincerely
horen
hoorde
hebben gehoord
to hear, listen to
to be told, get to know
to belong
to be right, proper, fitting
huichelen
huichelde
hebben gehuicheld
to simulate, dissemble
to feign, sham
to play the hypocrite
huilen
huilde
hebben gehuild
to cry, weep
to howl, whine, snivel
to cry over (om)
to howl (wind)
hullen
hulde
hebben gehuld
to wrap, envelop
to shroud, veil, cloak (in)
huren
huurde
hebben gehuurd
to rent, hire, charter, lease
huwen
huwde
zijn gehuwd
to marry, wed, get married to
to combine
imiteren
imiteerde
hebben geïmiteerd
to imitate, copy
to impersonate
immigreren
imigreerde
hebben geïmigreerd
to immigrate
importeren
importeerde
hebben geïmporteerd
to import
in-ademen
ademde in
hebben ingeademd
to inhale, breathe in
in-beelden
beeldde in
hebben ingebeeld
(ref. ) to imagine, fancy
(ref. ) to have a high opinion of oneself
in-delen
deelde in
hebben ingedeeld
to divide, group, classify
to plan, order, arrange
to assign to, attach to, place in (bij)
to incorporate into, classify in (bij)
in-dienen
diende in
hebben ingediend
to present, submit, tender, introduce
to propose, put forward, motion
ineen-storten
stortte ineen
zijn ineengestort
to collapse, disintegrate
informeren
informeerde
hebben geïnformeerd
to inquire, make inquiries, ask (bij) to inform (naar)
in-halen
haalde in
hebben ingehaald
to draw, haul, take, bring in to catch up with, outrun to overtake, pass to make up for, recover to welcome
in-leiden
leidde in
hebben ingeleid
to introduce, preface, initiate
to open a topic, induce (labor)
in-lichten
lichtte in
hebben ingelicht
to inform
in-lijsten
lijstte in
hebben ingelijst
to frame (photo)
in-maken
maakte in
hebben ingemaakt
to preserve, pickle, conserve
to slaughter, butcher (sports, etc.)
to overwhelm (in a game)
in-oogsten
oogstte in
hebben ingeoogst
to reap, harvest
*No Verb in Van Dale
in-richten
richtte in
hebben ingericht
to arrange, organize, fix, furnish
to equip, fit up
(ref.) to set up house
in-ruilen
ruilde in
hebben ingeruild
to trade, swap, echange
to exchange for, trade in
in-schakelen
schakelde in
hebben ingeschakeld
to switch on, connect
to put into gear, turn on
to call in, bring in, involve, engage
in-schepen
scheepte in
zijn ingescheept
to embark
to go aboard, go on board
in-smeren
smeerde in
hebben ingesmeerd
to grease, oil
to rub with, put oil on
in-stappen
stapte in
zijn ingestapt
to get in, enter into (room, vehicle)
to get on, board, step into
to join in on, get in on
in-stellen
stelde in
hebben ingesteld
to set up, start, institute
to establish, create, preset
to adjust, focus, tune, regulate
(ref.) to prepare oneself for (op)
in-stemmen
stemde in
hebben ingestemd
to agree with, concur, accept
to approve of, assent to, endorse
(met)
to join in song
in-studeren
studeerde in
hebben ingestudeerd
to study, practice, rehearse, learn
interesseren
interesseerde
hebben geïnteresseerd
to interest (ref.) to be interested in (voor)
interviewen
interviewde
hebben geïnterviewd
to interview
investeren
investeerde
hebben geïnvesteerd
to invest, place, put in
in-voegen
voegde in
hebben ingevoegd
to insert into, put in, filter in
to join traffic, merge
in-voeren
voerde in
hebben ingevoerd
to import, introduce, establish
to enter into, input, feed in
to smuggle in
in-wijden
wijdde in
hebben ingewijd
to consecrate, dedicate
to initiate (into a secret), let in
to inaugurate
in-wikkelen
wikkelde in
hebben ingewikkeld
to wrap up
to involve, engage in
in-wisselen
wisselde in
hebben ingewisseld
to change, exchange for, convert
to cash, redeem
(voor)
in-zamelen
zamelde in
hebben ingezameld
to collect, gather, raise (voor)
in-zegenen
zegende in
hebben ingezegend
to bless, consecrate, dedicate
to solemnize, celebrate
to perform ( a service)
in-zetten
zette in
hebben ingezet
to insert, set, set in, put in to put up, stake, bet to strike up (band) to begin, set in to start, launch to deploy, bring into action (ref.) to devote oneself, do one’s best
jeuken
jeukte
hebben gejeukt
to itch
jubelen
jubelde
hebben gejubeld
to exult, be jubilant, shout with joy
over
juichen
juichte
hebben gejuicht
to shout with joy, cheer
to be jubilant, rejoice at (over)
kaarten
kaartte
hebben gekaart
to play cards
kalmeren
kalmeerde
zijn gekalmeerd
to calm, soothe
to calm down, tranquillize
kammen
kamde
hebben gekamd
to comb
(ref.) to comb one’s hair
kampen
kampte
hebben gekampt
to fight, struggle, contend, wrestle
met
kantelen
kantelde
zijn gekanteld
to overturn, capsize
to cant, tip, tilt, turn over
kauwen
kauwde
hebben gekauwd
to chew
kenmerken
kenmerkte
hebben gekenmerkt
to mark, characterize
to distinguish, typify
kennen
kende
hebben gekend
to know, be acquainted with
to consult with (in)
kentekenen
kentekende
hebben gekentekend
to characterize
ketenen
ketende
hebben geketend
to chain, shackle, fetter
to curb, check, restrain
keuren
keurde
hebben gekeurd
to inspect, assay, test
to taste, sample, examine
kietelen
kietelde
hebben gekieteld
to tickle
klaar-maken
maakte klaar
hebben klaargemaakt
to prepare, get ready
to make, cook
(ref.) to get dressed
kladden
kladde
hebben geklad
to stain, blot, daub
to be messy, make stains, blots
to scribble, scrawl
klagen
klaagde
hebben geklaagd
to complain, lament
klapperen
klapperde
hebben geklapperd
to clack, flap, flutter
to chatter, bang, rattle
kleden
kleedde
hebben gekleed
to clothe, dress
klemmen
klemde
hebben geklemd
to pinch, clasp, clench, press
to stick, jam
kleuren
kleurde
hebben gekleurd
to color, tone, blush
to paint, dye, tint
kleven
kleefde
hebben gekleefd
to stick, cling to, be sticky
to make stick
kloppen
klopte
hebben geklopt
to knock, tap, pat, whip
to beat, throb, pound, race
to be correct, agree, tally
knabbelen
knabbelde
hebben geknabbeld
to nibble, munch
knallen
knalde
hebben geknald
to pop, go off, bang, crack
kneden
kneedde
hebben gekneed
to knead, mould
knielen
knielde
zijn geknield
to kneel, kneel down to genuflect (church)
knikken
knikte
hebben geknikt
to nod
to snap, twist, crack
to bend, give way, buckle
knippen
knipte
hebben geknipt
to cut, clip, trim, pare, snip
to cut off or out
koelen
koelde
hebben gekoeld
to cool, cool down or off, chill to vent (anger)
koesteren
koesterde
hebben gekoesterd
to cherish, foster, nourish, nurse
to entertain (wishes, desires)
(ref.) to bask, sun
koken
kookte
hebben gekookt
to boil, cook, do the cooking
koppelen
koppelde
hebben gekoppeld
to couple, chain, leash, pair to link, relate, match to join, dock to engage the clutch (aan)
korten
kortte
zijn gekort
to shorten, grow short
to deduct, cut back on
to pass, spend, while away (time)
kosten
kostte
hebben gekost
to cost
krabbelen
krabbelde
hebben gekrabbeld
to scrawl, scribble
to scratch
krabben
krabde
hebben gekrabd
to scratch, scratch out, scrape
krenken
krenkte
hebben gekrenkt
to injure, hurt, offend, wound
kreunen
kreunde
hebben gekreund
to moan, groan
krommen
kromde
hebben gekromd
to bow, bend, curve, arch
kronen
kroonde
hebben gekroond
to crown
kronkelen
kronkelde
zijn gekronkeld
to wind, meander, twist
to writhe
kruisen
kruiste
hebben gekruist
to cross, intersect to crucify to cruise to crossbreed (ref.) to cross oneself
kussen
kuste
hebben gekust
to kiss
kweken
kweekte
hebben gekweekt
to grow, cultivate, raise
to foster, breed
kwellen
kwelde
hebben gekweld
to tease, vex, trouble
to hurt, torture, torment, agonize
kwetsen
kwetste
hebben gekwetst
to wound, injure, hurt, bruise, trample
kwijnen
kwijnde
hebben gekwijnd
to languish, pine, linger on
to wither, flag
kwijt-raken
raakte kwijt
zijn kwijtgeraakt
to lose, get rid of
landen
landde
zijn geland
to land, disembark
lasteren
lasterde
hebben gelasterd
to slander
to blaspheme
leggen
legde
hebben gelegd
to lay (egg) to lay down, floor, pave, flag to put, place, lay to plank (wood)
leiden
leidde
hebben geleid
to lead, bring, guide
to direct, conduct, manage
to lead to (tot)
to be in the lead
lekken
lekte
hebben gelekt
to leak, be leaky, take on water, drip
to seep
to lick (flame)
lenen
leende
hebben geleend
to lend to, borrow from ( voor)
ref. ) lend oneself to (voor
(ref. ) to be available for (voor)
lengen
lengde
zijn gelengd
to lengthen, become longer, draw out
lenigen
lenigde
hebben gelenigd
to alleviate, relieve
leren
leerde
hebben geleerd
to learn, study, pick up
to teach, show
letten
lette
hebben gelet
to mind, mark, note, remember
to pay attention to (op)
to take care of (op)
to prevent, be careful, heed (op)
leunen
leunde
hebben geleund
to lean
to lean out of (uit)
to lean against (tegen)
leven
leefde
hebben geleefd
to live, be alive
to live, subsist on (op)
leveren
leverde
hebben geleverd
to deliver, supply, furnish, provide to give (battle, blow) to do, produce (work) to contribute (article) to pull on someone (trick or prank)
lichten
lichtte
hebben gelicht
to light, shine, lighten
to lift, raise
to remove, empty (mail box)
liefkozen
liefkoosde
hebben geliefkoosd
to caress, fondle
lijmen
lijmde
hebben gelijmd
to glue
to patch up, mend
loeien
loeide
hebben geloeid
to moo, low, bellow
to howl, roar (wind)
to whine, blare, hoot, wail (siren)
loeren
loerde
hebben geloerd
to spy on, watch for (op)
to leer, peer at (op)
logeren
logeerde
hebben gelogeerd
to stay, stay with (bij)
to put up, lodge, board, stop over
lonen
loonde
hebben geloond
to pay, reward
to be worth
loochenen
loochende
hebben geloochend
to deny, gainsay, negate
to disown, disclaim
to deny the existence of
los-maken
maakte los
hebben losgemaakt
to loosen, untie
to release, set free
luchten
luchtte
hebben gelucht
to air, ventilate
to vent, show (one’s feelings)
luiden
luidde
hebben geluid
to sound, ring, chime, toll
to go, run, sound (text, letter, phrase)
to read as (als)
luisteren
luisterde
hebben geluisterd
to listen
to follow, obey, respond
to pay attention, listen to (naar)
lukken
lukte
zijn gelukt
to succeed, work, manage
to come through, gel, turn out
[impersonal verb]
lunchen
lunchte
hebben geluncht
to have lunch
maaien
maaide
hebben gemaaid
to mow, reap
to flail
maken
maakte
hebben gemaakt
to make, do
to repair, fix
to produce, manufacture, create
martelen
martelde
hebben gemarteld
to torment, torture
matigen
matigde
hebben gematigd
to moderate, temper, economize
(ref. ) to restrain oneself,
(ref. ) to control one’s temper
mede-delen
deelde mede
hebben medegedeeld
to announce, state, inform
to communicate, advertise
mee-maken
maakte mee
hebben meegemaakt
to join (in a trip)
to go through, experience
to take part in, live through
to see, live to see
melden
meldde
hebben gemeld
to mention, report
to inform, announce
(ref.) to check in, report oneself (bij)
menen
meende
hebben gemeend
to mean, intend
to think, suppose
mengen
mengde
hebben gemengd
to mix, blend, mingle
ref. ) to meddle, interfere
(ref. ) to join in, get involved in (in
merken
merkte
hebben gemerkt
to mark, brand
to notice, perceive, see
mijmeren
mijmerde
hebben gemijmerd
to dream, muse, brood, daydream
minachten
minachtte
hebben geminacht
to disdain, hold in contempt
minnen
minde
hebben gemind
to love
to neck, cuddle
to have an affinity for
misbruiken
misbruikte
hebben misbruikt
to misuse, abuse
to violate, impose upon
misgunnen
misgunde
hebben misgund
to envy, begrudge, resent
mishandelen
mishandelde
hebben mishandeld
to treat badly, mishandle
to maltreat, ill-treat
mislukken
mislukte
zijn mislukt
to fail, turn out badly, go wrong to be unsuccessful, fall through to break down to turn out a disappointment to fall short of expectations
missen
miste
hebben gemist
to miss, fail, feel the loss of to do without, dispense with to be missing to spare, afford, lack, lose to get wrong to miss (a penalty kick)
mompelen
mompelde
hebben gemompeld
to mutter, mumble to mouth (words)
motregenen
motregende
hebben gemotregend
to drizzle
munten
muntte
hebben gemunt
to coin, mint
murmelen
murmelde
hebben gemurmeld
to murmur
to gurgle
naaien
naaide
hebben genaaid
to sew, stitch on (aan) to screw (figuratively and intimately)
nagelen
nagelde
hebben genageld
to nail
na-maken
maakte na
hebben nagemaakt
to copy, imitate
to counterfeit, forge, fake
na-zetten
zette na
hebben nagezet
to pursue, chase after to follow (in order to overtake)
neer-leggen
legde neer
hebben neergelegd
to lay down, set down to put down (phone receiver) to resign (office) to put aside, to cease (writing, work) to deposit with (ref.) to resign oneself to (bij)
neer-storten
stortte neer
zijn neergestort
to crash, fall down
to hurtle, thunder down
niezen
niesde
hebben geniesd
to sneeze
noemen
noemde
hebben genoemd
to name, call
to mention, cite
to christen, baptize, dub
nopen
noopte
hebben genoopt
to urge, induce, prompt
to impel, compel (tot)
noteren
noteerde
hebben genoteerd
to note, jot down to record, register, enter to book (order) to score (points) to list, quote (prices, stocks) (aan)
oefenen
oefende
hebben geoefend
to exercise, train, practice
to rehearse, drill, train
to coach
omarmen
omarmde
hebben omarmd
to embrace, hug, clasp in one’s arms
om-draaien
draaide om
zijn omgedraaid
to turn around, revolve, rotate
to turn over, turn back
to turn around, swing around
to wring
omheinen
omheinde
hebben omheind
to fence in, enclose
to fence off, fence round
omhelzen
omhelsde
hebben omhelsd
to embrace, hug
to espouse
om-kantelen
kantelde om
zijn omgekanteld
to turn over
to overturn
om-kleden
kleedde om
hebben omgekleed
to cover, clothe
(ref.) change clothes
*There is an inseparable-prefix form with a different definition.
om-praten
praatte om
hebben omgepraat
to talk around, bring around, convince
to persuade, talk into, talk out of
om-rekenen
rekende om
hebben omgerekend
to convert (money) to turn into, convert to
omringen
omringde
hebben omringd
to surround, encircle, beset, enclose
om-ruilen
ruilde om
hebben omgeruild
to change, exchange for, trade in
to swap, change for/over
to change places
omvatten
omvatte
hebben omvat
to span, embrace, comprise, cover
to enclose, grasp
to include, encompass, contain
om-werken
werkte om
hebben omgewerkt
to rework, remodel, rewrite, redraft
to recast, reword
to turn over, dig up, plough
onderdrukken
onderdrukte
hebben onderdrukt
to oppress, suppress, stifle
to repress, put down, quell
to crush, stamp out, snuff out
onderhandelen
onderhandelde
hebben onderhandeld
to negotiate, bargain, treat, parley
onderschatten
onderschatte
hebben onderschat
to underestimate
onderstellen
onderstelde
hebben ondersteld
to suppose, assume
ondersteunen
ondersteunde
hebben ondersteund
to support, back up
ondertekenen
ondertekende
hebben ondertekend
to sign
ontaarden
ontaardde
zijn ontaard
to degenerate, deteriorate
to degenerate into (in)
ontberen
ontbeerde
hebben ontbeerd
to lack, be without
to do or go without
ontbranden
ontbrandde
zijn ontbrand
to catch fire, ignite, flare up
to be sparked off (fire, war)
(in)
ontdekken
ontdekte
hebben ontdekt
to discover, find out
onteigenen
onteigende
hebben onteigend
to dispossess, expropriate
onteren
onteerde
hebben onteerd
to dishonor, desecrate
to disgrace, defile
to ravish, violate, deflower
onterven
onterfde
hebben onterfd
to disinherit, cut off
ontheiligen
ontheiligde
hebben ontheiligd
to desecrate, desanctify
onthoofden
onthoofdde
hebben onthoofd
to behead, decapitate
ontkennen
ontkende
hebben ontkend
to deny, negate, plead not guilty
ontkleden
ontkleedde
hebben ontkleed
to undress, unclothe
(ref.) to undress oneself
ontlasten
ontlastte
hebben ontlast
to unburden, relieve
to relieve, exempt someone (van)
(ref.) to move one’s bowels
ontlenen
ontleende
hebben ontleend
to borrow, derive from (aan)
to take, extract from (aan)
ontmoedigen
ontmoedigde
hebben ontmoedigd
to discourage, demoralize
to deter, be deterred by (door)
ontmoeten
ontmoette
hebben ontmoet
to meet, encounter, bump into
to come across, see
ontploffen
ontplofte
zijn ontploft
to explode, blow up
ontraadselen
ontraadselde
hebben ontraadseld
to unriddle, unravel
to riddle, solve
ontruimen
ontruimde
hebben ontruimd
to evacuate, clear, vacate
ontsnappen
ontsnapte
zijn ontsnapt
to escape, get away, slip, elude
to break away from
ontsporen
ontspoorde
zijn ontspoord
to be derailed, derail
to go off the rails
to go astray
ontvluchten
ontvluchtte
zijn ontvlucht
to flee, escape
to retreat, run away from
ontvoeren
ontvoerde
hebben ontvoerd
to carry off, abduct, kidnap
ontwaken
ontwaakte
zijn ontwaakt
to awake, wake up, rouse
ontwapenen
ontwapende
hebben ontwapend
to disarm
ontwikkelen
ontwikkelde
hebben ontwikkeld
to develop, evolve, generate
(ref.) to shape up, develop/grow into
(tot)
oogsten
oogstte
hebben geoogst
to reap, harvest, pick, score, win
oordelen
oordeelde
hebben geoordeeld
to judge, deem
to pass judgement, sentence
to make up one’s mind
te oordelen naar: judging from
op-bellen
belde op
hebben opgebeld
to call up, telephone, ring up
openen
opende
hebben geopend
to open, begin, lead, start
to turn on, unscrew, open up (spigot)
open-maken
maakte open
hebben opengemaakt
to open, open up
opereren
opereerde
hebben geopereerd
to operate (medical, military)
to perform surgery
to work, use
op-klaren
klaarde op
zijn opgeklaard
to clear up, brighten up (weather)
to brighten, improve (prospects)
op-leiden
leidde op
hebben opgeleid
to train, educate, prepare
to school, instruct
op-letten
lette op
hebben opgelet
to pay attention
to watch, take care
op-lossen
loste op
zijn opgelost
to dissolve
to solve, resolve
op-maken
maakte op
hebben opgemaakt
to use up, spend, finish up to gather, conclude to make (bed) to do (hair) to draw up, make out, balance (ref.) to prepare, get ready (ref.) to apply make-up
op-merken
merkte op
hebben opgemerkt
to notice, note
to remark, observe
op-monteren
monterde op
hebben opgemonterd
to cheer up
op-offeren
offerde op
hebben opgeofferd
to sacrifice
op-passen
paste op
hebben opgepast
to take care of, nurse, babysit
to be careful, look out, pay attention
(voor)
op-richten
richtte op
hebben opgericht
to raise, erect, put up, form
to found, start, establish, set up
(ref.) to rise, get up, raise oneself up
(ref.) to sit up, straighten up
op-ruimen
ruimde op
hebben opgeruimd
to remove, clear away, make tidy
to clear up, clear out, clean out
to sell up, sell out, clear
to have a sale (clearance)
op-stellen
stelde op
hebben opgesteld
to set up, erect, post, place to arrange, dispose, line up to draft, draw up, formulate to put in position, deploy (ref.) to line up, pose as (ref.) to take a position on (ref.) to adopt an attitude towards
op-vatten
vatte op
hebben opgevat
to take up, pick up
to interpret as, understand as
to feel, conceive (toward someone)
op-voeden
voedde op
hebben opgevoed
to bring up, rear, raise
to educate
op-wekken
wekte op
hebben opgewekt
to awake, arouse, stir, rouse to excite, provoke, spark off, raise to generate, create to revive to incite, urge on (tot)
ordenen
ordende
hebben geordend
to order, arrange, regulate, classify to ordain, sort out, organize to collect (thoughts)
overbruggen
overbrugde
hebben overbrugd
to bridge, span
to narrow, tide over
to overcome (issue, disagreement)
overeen-stemmen
stemde overeen
hebben overeengestemd
to agree, be in agreement
over-halen
haalde over
hebben overgehaald
to ferry over to ring, pull, pull on (a bell) to persuade, win over, talk into to cock (gun) to distill
overhandigen
overhandigde
hebben overhandigd
to hand over, deliver, present
overheersen
overheerste
hebben overheerst
to rule, rule over, dominate
to predominate, domineer, lord over
over-leggen
legde over
hebben overgelegd
to put aside, save
to show, produce, submit
overleggen
overlegde
hebben overlegd
to deliberate, consider
to consult, confer
overleven
overleefde
hebben overleefd
to survive, outlive, live through
over-maken
maakte over
hebben overgemaakt
to do over, redo
to transfer, remit (money)
overnachten
overnachtte
hebben overnacht
to spend the night (in a hotel, etc.)
to stay over
over-plaatsen
plaatste over
hebben overgeplaatst
to transfer to post (military)
over-planten
plantte over
hebben overgeplant
to transplant
overreden
overreedde
hebben overreed
to persuade, convince
to talk round, talk into
overrompelen
overrompelde
hebben overrompeld
to surprise, take by surprise
to catch napping (figuratively)
overschatten
overschatte
hebben overschat
to overrate, overestimate
over-stappen
stapte over
zijn overgestapt
to step over, cross
to transfer, change (trains)
to change over, move over (op/naar)
over-stemmen
stemde over
hebben overgestemd
to drown out (voice), shout down
overstemmen
overstemde
hebben overstemd
to outvote, vote again
overtuigen
overtuigde
hebben overtuigd
to convince, persuade
ref.) to satisfy oneself (van
overweldigen
overweldigde
hebben overweldigd
to overwhelm, overpower, overcome
to conquer, usurp
over-werken
werkte over
hebben overgewerkt
to work overtime, work late
overwerken
overwerkte
hebben overwerkt
(ref. ) to overwork oneself
(ref. ) to drive oneself too hard
over-zetten
zette over
hebben overgezet
to take across, take over (river)
to ferry across, ferry over
to transfer, deport
to translate