Verbs Flashcards
Take
Nemen
work
werken
to know
weten
to stop
stoppen
to sit
zitten (op)
To live
wonen
to come
komen
to read
lezen
to write
schrijven
to do
doen
to see
zien
to have
hebben
to go
gaan
repeat
herhaal
Introduce (yourself)
Voorstellen (jezelf),
to talk
praten
continue
doorgaan
to give
geven
feel
voelen
shout
roepen
scare
schrikken
think
denken
bend
buigen
understand
begrijpen
Mean
betekenen
to answer
reagieren
to order something
bestellen
To love
houden van (Ex. Ik hou van voetbal)
to add
toevoegen
to find
vinden
hang out
uitgaan
belong
horen
Try to
Proberen te
Close (for example, the door)
sluiten
dichtdoen
To Open
Openen
Opendoen
Push
duwen
Pull
trekken
Turn on (bv the light)
aandoen
Turn off (bv the light)
uitdoen
to wake up
opstaan
to have breakfast
ontbijten
to take a shower
een douche/bad nemen
to have lunch
lunchen
to carry
meenemen
to arrive (the train)
aankomen
to organize
organiseren
to invite (for example, friends to a party)
uitnodigen
to get/receive
krijgen
to send (a pakje)
sturen
to visit
bezoeken
to laugh
lachen
to celebrate
vieren
to wait
wachten (op)
to lie
liegen
to happen
gebeuren
to become
worden
to kill
vermoorden
to change
veranderen/wijziging
to succeed
slagen
to die
sterven
to decide
beslissen
To choose
kiesen
to share
delen
to iron
strijken
To remind/remember
Herinneren
to accept (e.g., the job offer)
Aannemen
to depend on
afhangen van
to pray to
bidden tot
to enjoy of
genieten van
To grab something
grijpen
to collect
inzamellen
to discover
ontdekken
to record
opnemen
to develop
ontwikkelen