comparer, juger, classer Flashcards
(a)normal(le)
abnormaal
standard
standaard
global(e)
globaal
total(e)
totaal
la totalité
totaliteit
banal(e)
banaal
la banalité
banaliteit
monotone
monotoon
orginal(e)
orgineel
unique
uniek
excentrique
excentriek
absurde
absurd
néfaste
nefast
un commentaire
commentaar
commenter
commenteren
combiner
combineren
une combinasion
combinatie
une analogie
analogie , vergelijking
analogique
analogisch
analogue
analoog
identique
identiek
un contraste
contrast
contraster
contrasteren
une contradiction
contradictie
un paradoxe
paradox
une concentration
concentratiee
l’essence (f)
essentie
essentiel(le)
essentieel
relatif(ive)
relatief
la relativité
relativiteit
quasi
bijna, quasi
authentique
authentiek
l’authenticité (f)
authenticiteit
artificiel(le)
artificieel
idéal(e)
ideaal
s’intéresser à
interesseren in
moral(e)
moreel
immoral(e)
immoreel
tabou
taboe
radical(e)
radicaal
potentiel(le)
potentieel
une qualité
kwaliteit
simpliste
simplistisch
sophistiqué(e)
sofistisch
observer
observeren
l’observation (f)
observatie
un observateur
observator
une évaluation
evaluatie
un critère
criterium
inspecter
inspecterend
de base (f)
basis
principale
voornaamste
capital
kapitaal
secondaire/ accessoire
bijkomstig, minder belangrijk
comparer
vergelijken
une comparaison
vergelijking
des différences (f)
verschillen
des ressemblances (f)
gelijkenissen
différente
verschillend
comparable
gelijkbaar
ressemble à
gelijkt op
différer
verschillen
l’intérêt (m)
belang
importe
van belang
pareil, la même chose
hetzelfde
distinguer
onderscheiden
la distinction
onderscheid
commun
gemeenschappelijkk
ordinaire
gewone
extraordinaire
buitengewoon
un orginal
zonderling, buitenbeentje
bizarre/ étrange
bizar, vreemde
rare
zeldzaam
accidentel(le)
toevallig
laide
lelijk
magnifique/ splendide, superbe
prachtig
de (grande) valeur
waardevolle
sans valeur
waardeloze
la peine
moeite
estimer, évaluer
schatten, evalueren
remarquable
opmerkelijk, merkwaardig
considérable
aanzienlijke
véritable
echt
considérer
beschouwen, overwegen
un choix
keuze
choisir
kiezen
apprécier
op prijs stellen
importance (f)
belang
extrêmement
uiterst, hoogst²
approuver
goedkeuren
contester
betwisten, geschillen
les avantages
voordelen
les désavantages (m)
nadelen
réserve (f)
voorbehoud
équilibrer
in evenwicht brengen
injuste
onrechtvaardig
substantiel
aanzienlijk
insignifiant/minime
onbeduidend, miniem
arbitraire
willekeurig
(in)habituel(le)
(on)gewoon
nécessaire
nodig, noodzakelijk
la nécessité
noodzaak
imposer/exiger
vereisen, nodig maken
exager
overdrijven
exagération (f)
overdrijving
juger
oordelen
un jugement (m)
oordeel, beoordeling
nuancé(e)
genuanceerd
une nuance
nuance
reconnaître
(h)erkennen
reconnaissance (f)
erkenning
la reconnaissance
dankbaarheid
de bonne qualité
degelijke
médiocre, de moindre qualité
mindere kwalitieit
un échec
mislukking
une erreur
vergissing
ridicule
belachelijk
l’utilité (f)
nut
utile
nuttig
inutile
onnuttig
inégale
ongelijke
une petite merveille
juweeltje
meilleur
beste
pire
erger
affreux
afschuwelijk
horrible
vreselijk
barbare
barbaars, wreed
ignoble
gemeen
faux
valse
équivoque
dubbelzinnig
tort
ongelijk
raison
gelijk
parfaitement
volkomen
superflue
overbodig
le comble
toppunt
de semblable/ de pareil
gelijkaardig
surprenant
verrassend
inouï
ongehoord
pas grand-chose
niet veel zaaks
rechercher
zoeken
nettement
duidelijk
ne correspond pas au
beantwoord niet aan, komt niet overeen met
juste
juist, waar
le juste milieu
gulden middenweg
intermédiare
tussen
(in)correcte
(on)juist