32 Orientierung im Raum Flashcards

1
Q

de plaats

A

der Ort

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

beperkt

A

begrenzt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

beperken, inperken

A

beschränken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

de omgeving (geografisch)

A

der Raum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

toegankelijk

A

zugänglich

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

voor, voorin

A

vorne

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

achter, achterin

A

hinten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

voorste

A

vorderer, vordere, vorderes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

in de voorste rij

A

in der vordersten Reihe

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

achterste

A

hinterer, hintere, hintereres

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

binnen de partij

A

innerparteilich

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

binnen het bedrijf

A

innerbetrieblich

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

binnen Europa

A

innereuropäisch

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

horizontaal

A

waagerecht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

verticaal

A

senkrecht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

dwars, haaks

17
Q

hier(heen)

18
Q

af, naar beneden

19
Q

binnen-, naar binnen

20
Q

(er)uit-, naar butien

21
Q

omhoog-, op-, naar boven

22
Q

af-, omlaag-, naar beneden

23
Q

daar(heen), daarnaartoe

24
Q

dik, vol, dicht, ondoordringbaar

25
Q

in het midden liggend, middelst

A

mittlerer, mittlere, mittleres

26
Q

ernaast, hiernaast, daarnaast

27
Q

paralel, evenwijdig

28
Q

achteraan, achterna

29
Q

ophouden, stoppen

eindigen

A

aufhören

enden

30
Q

de distantie, de afstand

A

die Distanz
der Abstand
die Entfernung

31
Q

de verte

32
Q

het midden

33
Q

de nabijheid, de omgeving, de buurt

34
Q

de oppervlakte, het vlak

A

die Fläche

das Areal

35
Q

de grootte, de omvang

A

die Größe

36
Q

de afmeting

A

die Abmessung

das Maß

37
Q

laag