Leçon 34 Flashcards
Presque
Binja
L’un et l’autre
De ene en de andere
Ils ne sont pas d’accord
Ze zijn het niet eens = ze gaan niet akkoord
La glace
Het ijs
Roman (ajd.)
Romaans
Le château
Het kasteel
Choisir
Kiezen
Ennuyeux/difficile
Lastig
Finalement
Eindelijk
La décision
De beslissing
Bijzonder
Particulièrement
Excellent
Uitstekend
L’occasion
De gelegenheid
Résoudre
Oplossen
Refuser
Weigeren
La trafic
Het verkeer
Le danger
Het gevaar
Craindre
Vrezen
La collision
De bosting
Tout à fait
Helemaal
Pas du tout
Helemaal niet
Bestaan
Exister
En cours de route
Onderweg
Quitter
Verlaten
Sur place
Ter plaatse
Verplaatsen
Déplacer
La solution
De oplossing
Proposer
Voorstellen
(in)dépendant
(on)afhankelijk
(mal)sain
(on)gezond
La proposition
Het voorstel
Cela fait peur à quelqu’un
Dat maakt iemand bang
L’accident
Het ongeval
La piste cyclable
Het fietspad
Le sentier
Het pad
Jouir
Genieten
C’est important
Dat is van belang
L’importance
Het belang
La nature
De natuur
Persuader
Overtuigen
Le lendemain
De volgende dag
L’agence de voyage
Het reisbureau(s)
La chambre d’hôtel
De hotelkamer(s)
Réserver une chambre
Een kamer bespreken
Le ticker/billet
Het treinkaartje(s)
Le non-fumeur
De niet-roker
Réserver
Reserveren
La succursale
Het bijhuis(zen)
Excellent
Uitstekend
Toutes sortes de pays
Allerlei landen
L’allocation familiale
De kindertoeslag(en)
Faire des heures supplémentaires
Overuren maken
Supplémentaire
Extra
Le salaire
het loon
Extraordinaire
Buitengewoon
Ordinaire
Gewoon
La formation
De opleiding
Au sein même de la fabrique
In de fabriek zelf
L’entreprise
De onderneming
Le travail assidu
De werker
La fin/le bout
Het einder(n/s)
La chaise
De stoel
L’art
De kunst
Déposer
Leggen
Servir à
Dienen tot
Espérer
Hopen