Leçon 29 Flashcards
Vraisemblablement
Waarschijnlijk
Le mieux
Het best
Se reposer
Uitresten
Chaque
Ieder (elk)
J’ai de la chance
Ik heb geluk
Découvrir
Ontdekken
Pittoresque
Schilderachtig
Le chemin
De weg
Le trafic
De verkeer
Absolument pas (de)
Helemaal niet/geen
Animé
Druk
De temps en temps
Af en toe
Passer (véhicule)
Voorbijrijden
Lourd
Zwaar
Le camion
De vrachtwagen(s)
Le bruit
Het lawaai
Faire du bruit
Lawaai maken
Jouer
Spelen
L’air
De lucht
Sain
Gezond
Aimable
Vriendelijk
Oublier
Vergeten
L’avantage
Het voordeel
Le prix de location
De huurprijs (zen)
Donc
Dus
La solution
De oplossing
Résoudre
Oplossen
Au moins
Ten minste
La difficulté
De moeilijkheid
Soit…soit…
Ofwel… ofwel…
Chercher
Zoeken
Se mettre à chercher
Aan het zoeken gaan
Parfois
Soms
Avant que
Voordat
Totalement
Helemaal
Plaire
Bevallen
L’année passée
Verleden jaar
Le centre (ville)
Het centrum
Louer
Huren
Etroit
Smal
La place
Het plein
L’arbre
De boom
L’ombre
De schaduw
Bientôt
Weldra
Briller (soleil)
Schijnen
Romain
Romeins
C’est dommage
Het is jammer
Seulement
Maar
La tour
De toren(s)