Leçon 33 Flashcards
La plupart des gens
De meeste mensen
L’étranger
Het buitenland
La région
De streek
La plupart du temps
Meestal
Sembler
Schijnen
Le but
Het doel
Toujours
Steeds/altijd
Le voisin, la voisine
De buurman/ buurvrouw
Les voisins
De buren
Habituel(lement)
Gevoonlijk
Oser
Durven
La capitale
De hoofdstad
Affirmer
Beweren
L’étranger
De vreemdeling
Admirer
Bewonderen
Parmi ces gens
Onder de mensen
Nous passons devant la maison
We lopen voorbij het huis
Devant, le long de
Voorbij
Le regard, le petit coup d’œil
het/de blik
Lance, jeter
Werpen
La tour
De toren(s)
Le cas
Het geval
Avoir raison
Gelijk hebben
Avoir tort
Ongelijk hebben
L’existence
Het bestaan
Exister
Bestaan
L’exemple
Het voorbeeld
La dizaine
Het tiental
Expliquer
Verklaren
La raison, le motif
De reden
La fête
Het feest
Le concert
Het concert
(l’) aveugle
(de) blind(e)
Entourer
Omringen
Ce qui nous entoure
Wat ons omringt
Regretter quelque chose
Spijt van iets hebben
Je le regrette
Ik heb er spijt van
La situation
De toestand
Profond(ément)
Diep
Loin dans la nuit
Diep in de nacht
La photographie
De fotografie
Le sujet
Het onderwerp
Paraître
Verschijnen
Tout de suite, Immédiatement
Onmiddellijk=dadelijk
Fleurir
Bloeien
Florissant (commerce)
Bloeiend
Le chapeau
De hoed
La robe
De jurk
La chaussure
De schoen
La Côte d’Azur
De Franse Riviëra
Fermer
Dichtmaken
Délicieux
Lekker/smakelijk
Bon appétit
Eet smakelijk
Sauf, à l’exception de
Behalve
Les deux
Beide
Nous deux
Ons beiden