Leçon 20 Flashcards
Il est depuis 3 ans (déjà)
Hij is al drie jaar
Déjà
Al
L’affaire
De zaak
Agréable
Aangenaam
Dans 10 ans
Over tien jaar
A 20 Minutes de sa maison
20 Minutes van zijn huis vandaan
À vélo
Op de fiets
Il répond au téléphone
Hij neemt de telefoon aan
En une matinée
Op een morgen
La tasse de café
De kop koffie
Une dizaine de minutes
Een tiental minuten
Il regrette que
Het spijt hem dat
J’ai le temps
Ik heb tijd
Une firme bruxelloise bien connue
Een welbekende Brusselse firma
En hiver
In de winter
Noir
Zwart
Consommer de l’essence
Benzine verbruiken
Au printemps
In de lente
En été
In de zomer
La saison
Het seizoen
Le printemps
De lente(s)
L’été
De zomer(s)
L’automne
De herfst / het najaar
L’hiver
De winter(s)
Aller à vélo
Fietsen
Ici (quand)
Als
Pleuvoir
Regenen
En forme
In goede conditie
Quelques kilomètres
Een paar kilometer
C’est pourquoi
Daarom
Froid
Koud
Chaud
Warm
Par/à travers
Door
Le bois
Het bos
Surtout
Vooral
En automne
In de herfst
L’arbre
de boom
La couleur
De kleur
Bleu
Blauw
Vert
Groen
Jaune
Geel
Rouge
Rood
Mauve
Paars
Blanc
Wit
Gris
Grijs/grijze
Noir
Zwart
Brun
Bruin
J’attends le bus
I wacht op de bus
La place
Het plein
Le fonctionnaire
De ambtenaar(en/s)
Le garage
De garage(s)