Leçon 19 Flashcards
L’Espagne
Spanje
Souhaiter
Wensen
Quand
Wanneer
Combien de temps
Hoe lang
Quinze jours
Veertien dagen
Si…
Als…
Le mois entier
De hele maand
Le prix
De prijs(zen)
Parce que
Omdat
Un jour de vacances
een dag vakantie
Autre
Ander
Seul
Alleen
L’enfant
Het kind(eren)
L’avion
Het vliegtuig
Savoir
Weten
Ce que
Wat
Faire
Doen
Durer
Duren
Long/longtemps
Lang
La différence
Het verschil
Gagner
Winnen
Le jour
De dag
Alors
Dan
La personne
De persoon
Calculer
Berekenen
Demain
Morgen
Le ticket
Het kaartje(s)
Je viens chercher
Ik kom… halen
D’accord
Akkoord!
L’essence
De benzine
Dangereux
Gevaarlijk
Plus
Meer
L’accident de la circulation
Het auto-ongeval
Rapide
Snel
Répondre
Antwoorden
Il a raison
Hij heeft gelijk
Chacun
Iedereen
Ma voiture est en panne
Mijn auto is defect
Le monument
Het monument
Connaître
Kennen