Leçon 23 Flashcards
Le pays
Het land
Important
Belangrijk
La langue
De taal
Trouver
Vinden
Ennuyeux
Vervelend
Difficile
Moeilijk
Sembler
Schijnen
Impossible
Onmogelijk
Facile
Gemakkelijk
Plus d’une fois
Meer dan eens
Mal/de travers
Verkeerd
Stupide
Dom
Employer
Gebruiken
L’exemple
Het voorbeeld
Le soleil
De zon
La mer
De zee(ën)
L’eau
Het water
Quelques
Enige/enkele
La fois
De keer
Ecouter
Luisteren naar
J’écoute la radio
Ik luister naar de radio
Clair
Helder
Sombre
Donker
Il fait froid
Het is koud
Il commence à faire froid
Het wordt koud
Devenir
Worden
Gros/épais
Dik
La fantaisie
de fantasie(ën)
La manière/façon
De manier
De cette façon
Op die manier
Rapide(ment)/vite
Vlug
Ni… ni…
Noch… noch…
Même (aussi bien, également)
Zelfs
Il arrive que
Het gebeurt dat
Comme
Als
Le degré
De graad
De temps en temps
Nu en dan
Un hiver rude
Een strenge winter
Pendant/durant
Gedurende
La guerre
De oorlog (de oorlogen)
La neige
De sneeuw
Le sud
Het zuiden
Le nord
Het noorden
L’ouest
Het westen
L’est
Het oosten
Toujours
Altijd
Souvent
Dikwijls
Ou bien
Ofwel
Plusieurs langues
Verscheidene talen
La jardin
De tuin
La terrasse
Het terras
La café
Het café(s)
Parfois
Soms