H1+2: Inleiding Flashcards
Twee benaderingen van psychopathologie
- Syndroombenadering
- Symptoombenadering
Syndroombenadering
Psychologie van het pathologische (gegroepeerde entiteiten)
Samenhangend geheel van klachten en symptomen
Symptoombenadering
Pathologie van het psychische
Algemene processen of functies
Twee typen diagnosen
- Syndroomdiagnose
- Structuurdiagnose
Syndroomdiagnose
Alleen beschrijvend, geeft geen informatie over de redenen en manier van ontstaan
= Descriptieve diagnose
Structuurdiagnose
Geeft naast een beschrijving van de symptomatologie aan waardoor en op welke wijze het syndroom ontstaan is
= Handelsgerichte diagnose
Drie soorten factoren gelinkt aan de structuurdiagnose
- Predisponerende factoren: factoren die iemand kwetsbaar maken
- Precipiterende factoren: factoren die stoornis uitlokken
- Perpetuerende factoren: factoren die stoornis onderhouden
Een psychiatrische stoornis
Abnormaal verschijnsel: afwijkend van sociale norm of van wat in de cultuur als normaal geldt
Veroorzaakt ongemak, lijden of bezorgdheid bij betrokkene en/of omgeving
Drie modellen van een psychiatrische stoornis
- Medisch model: etiologie, pathogenese, prognose, behandeling of ‘disease’
- Psychologisch model: ziektebeleving of ‘illnes’
- Sociologisch model: ziekterol of ‘sickness’
Drie soorten classificatie
- Categoriale classificatie
- Dimensionale classificatie
- Prototypische classificatie
Categoriale classificatie
Kwalitatief onderscheid (alles of niets) tussen ziek en gezond, normaal en abnormaal
Stoornissen onderverdeeld in duidelijk afgebakende klassen, die elkaar niet overlappen
Dimensionale classificatie
Kwantitatief onderscheid (meer of minder) tussen ziek en gezond, normaal en abnormaal
Stoornissen gesitueerd op een dimensie of continuüm
Prototypische classificatie
Grote variabiliteit bij individuen, die anderzijds ook veel kenmerken gemeen hebben
Stoornissen onderverdeeld naar de mate waarin ze gelijken op een prototypisch voorbeeld
Geschiedenis van de DSM
DSM-I/II: Freud model
DSM-III/IV: Kraepeling model (schizofrenie, bipolaire stoornis, schizoaffectieve stoornis)
DSM-V: neurowetenschappen model
Classificatie
Wat is er aan de hand?
Algemene kennis
Beschrijvend
Betreft groepen
Gedragskenmerken
Relatief snel te stellen
Geeft enige richting aan hulpverlening
Diagnostiek
Hoe is dat zo gekomen?
Specifieke kennis
Verklarend
Betreft een individu
Meerdere niveaus van persoon en context
Tijdrovend proces
Voorwaardelijk voor (goede) hulpverlening
Opbouw DSM-V
Deel I: uitleg en instructies voor gebruik en verantwoording
Deel II: beschrijving van de 20 categorieën en verschillende stoornissen
Deel III: veranderingen die eerst verder onderzoek vereisen, vragenlijsten ernst symptomen en dysfunctioneren
Drie criteria voor normaliteit
- Evolutieve criteria: bepaalde gedragingen correleren met bepaalde leeftijd → gebruikt bij ontwikkeling van stoornis
- Kwantitatieve criteria: gemiddelde (bv. IQ)
- Normatieve criteria: belangrijkste in de gezondheidspsychologie (autonoom, integratie, aanpassing)
Twee soorten subjectiviteit
- Individuele subjectiviteit: eigen normen en waarden, eigen vooroordelen en idealen
- Sociaal-culturele subjectiviteit: men moet zich het referentiekader van de patiënt eigen maken
Psychiatrische epidemiologie
Houdt zich bezig met psychische morbiditeit in de hele populatie, ongeacht of mensen wel/niet in behandeling zijn
Beschrijvend (hoeveel), analytisch (waarom), preventie (hoe voorkomen)
Incidentie
Aantal nieuwe gevallen op de totale populatiegroep in een bepaalde periode
Prevalentie
Aantal oude en nieuwe gevallen op de totale populatiegroep
Periodeprevalentie: in een bepaalde periode
Puntprevalentie: op een bepaald moment
Lifetime prevalentie: tijdens het hele leven
Vier soorten ziekteverloop
- Acuut verloop: patiënt crasht maar wordt weer beter en kan weer ‘normaal’ psychisch functioneren
- Intermitterend verloop: geheel of gedeeltelijk herstel (remissie) of heroptreden van stoornis (recidief)
- Statistisch verloop: toestand onveranderd
- Progressief verloop: toestand verslechterd
Fysiopathogenese
De manier waarop verstoorde neurobiologische mechanismen bijdragen tot het ontstaan van psychiatrische ziektebeelden
Drie componenten van vulnerabiliteit (genetische- (nature) en omgevingsfactoren (nurture))
- Erfelijkheid (heritability)
- Gedeelde omgeving (shared environment)
- Unieke omgeving (non-shared environment)
Heritabiliteit
De mate waarin genetische verschillen variaties in de geobserveerde kenmerken tussen individuen veroorzaken
Gen-omgevingsinteractie
Genetische factoren beïnvloeden de gevoeligheid voor omgevingsfactoren en omgekeerd
Gen-omgevingscorrelatie
Individuen hebben hoger risico op ziekte omdat hun genetische kwetsbaarheid hen predisponeert tot selecteren van risicovolle milieus
Gen-geninteractie
Genen hebben ook een invloed op elkaar (= epistase)
Vier belangrijkste neurotransmitters
- Acetylcholine
- Dopamine
- Norepinephrine
- Serotonine
Acetylcholine
Spiercontracties, herinneringen
Alzheimer: lagere waarden
Dopamine
Spiercontracties, leren, herinneringen, geheugen
Schizofrenie: disbalans
Norepinephrine
Leren, herinneren
Depressie: disbalans
Serotonine
Stemming, verzadiging, slaap
Depressie en eetstoornissen: disbalans
Psychopathogenese
De manier waarop verstoorde psychische mechanismen bijdragen tot het ontstaan van psychiatrische ziektebeelden
Drie psychische hoofdfuncties (trias psychica)
Denken (cognitief), voelen (affectief), willen (conatief)
Stoornissen in psychisch functioneren: expressie en psychomotoriek
Lichaamshouding, beweging en mimiek (overactiviteit, onderactiviteit, hyperactiviteit)
Spraak
Stoornissen in psychisch functioneren: bewustzijn
Stoornissen in helderheid en aanspreekbaarheid (verhoogd/verlaagd/verlies/uitgebreid bewustzijn)
Stoornissen in aandacht of opmerkzaamheid (verhoogd/verminderd)
Stoornissen in oriëntatie (tijd, plaats, persoon)
Stoornissen in psychisch functioneren: zelfbeleving
Stoornissen in zelfbeeld (specifiek/globaal)
Stoornissen in lichaamservaring
Stoornissen in psychisch functioneren: waarneming
Sensorische vervormingen (kwantitatief/kwalitatief)
Illusies, hallucinaties
Stoornissen in psychisch functioneren: denken en geheugen
Formele denkstoornissen
Inhoudelijke denkstoornissen
Stoornissen van het geheugen (kwantitatief/kwalitatief)
Stoornissen van intelligentie
Stoornissen in psychisch functioneren: gevoel en verlangen
Stoornissen in het gevoelsleven (gestoorde gevoeligheid, stoornis in inhoud stemming)
Stoornissen in verband met verlangen en wil