Frans Unité 4 Flashcards
krabben
gratter
het hoofd
la tête
het oog, de ogen
l’œil, les yeux
de verkoudheid
le rhume
het oor
l’oreille
de neus
le nez
de mond
la bouche
de tanden
les dents
de rug
le dos
de buik
le ventre
de arm
le bras
het been
la jambe
de pukkel
le bouton
de voet
le pied
het ziekenhuis
l’hôpital
de breuk
la fracture
de enkel
la cheville
de vinger
le doigt
de teen
le doigt de pied
de gezondheid
la santé
de hand
la main
de knie
le genou
de elleboog
le coude
het lichaam
le corps
pijn hebben aan
avoir mal à
uitlachen
se moquer de
de vraag
le question
de raad
le conseil
de oplossing
la solution
zich voelen
se sentir
zich concentreren
se concentrer
zweten
transpirer
de orthodontist
l’orthodontiste
de tandarts
le dentiste
weigeren
refuser
opstaan
se lever
lopen
marcher
bleek
pâle
de dokter
le médecin
meteen
tout de suite
overal
partout
de pleister
le pansement
genezen
guérir
de spier
le muscle
verlichten
soulager
bloeden
saigner
het flesje
le flacon
voorschrijven
prescrire
overgeven
vomir
de zalf
la pommade
het recept
l’ordonnance
de insectenbeet
la piqure d’insecte
het medicijn
le médicament
de keelpijn
la mal de gorge
de zonnesteek
le coup de soleil
de infectie
l’infection
de apotheek
la pharmacie
onverdraaglijk
insupportable
zenuwwachtig
nerveux, nerveuse
de koorts
la fièvre
de graad
le degré
nogal
plutôt
koud
froid
tegelijkertijd
à la fois
het tabletje
le comprimé
de lepel
la cuillère
vervuilen
polluer
de pijn
la douleur
duren
durer
lang
longtemps
beterschap
bon rétablissement
gaat u zitten
asseyez-vous
ik druk (drukken)
j’appuie (appuyer)
zich zorgen maken
s’inquiéter
de wesp
la guêpe
schoon
propre
de afwezigheid
l’absence
het excuus
l’excuse
de smoes
le prétexte
ziek worden
tomber malade
de griep krijgen
attraper la grippe
hoesten
tousser
niezen
éternuer
de dokterspraktijk
le cabinet du médecin
het onderzoek
l’examen
medisch
médical
de val
la chute
zich stoten
se cogner
de verwonding
la blessure
het bloed
le sang
eveneens, ook of (voorwaarde)
également si
zich pijn doen
se faire mal
vriendelijke groet
cordialement
in vorm zijn
être en forme
iemand verontschuldigen
excuser quelqu’un
Alle regelmatige werkwoorden bestaan uit:
Stam + uitgang
De stam krijg je door… eraf te halen
Re
Achter ik / je komt:
Een s
Achter jij / tu komt:
Een s
Achter hij, zij, wij en men komt:
Niks
Achter wij / nous komt
Ons
Achter jullie / vous komt:
Ez
Achter zij(m) en zij (v) komt:
Ent
Je me lave
Ik was me
Tu te laves
Jij wast je
Tu te laves
Jij wast je
Il se lave
Hij wast zich
Elle se lave
Zij wast zich
On se lave
Wij wassen ons, men wast zich
Nou nous lavons
Wij wassen ons
Vous vous lavez
Jullie wassen je, u wast zich
Ils se lavent
Zij wassen zich (m)
Elles se lavent
Zij wassen zich (v)
à + le
Au
à + la
à la
à + l’
à l’
à + les
Aux
J’ai mal au nez.
Ik heb pijn aan mijn neus.
J’ai mal à la tête.
Ik heb hoofdpijn.
J’ai mal à l’oreille.
Ik heb oorpijn.
J’ai mal au dents.
Ik heb pijn aan mijn tanden.