Examen 1 Flashcards
Como va todo contigo?
Hoe gaat het met jou?
Posesivos
Mío → Van mij
Tuyo → Van jouw / Van u (formal)
Suyo (de él) → Van hem
Suyo (de ella) → Van haar
Suyo (de ellos/ellas) → Van hen / Van hun
Nuestro → Van ons
Vuestro → Van jullie
Senora
Mevrouw
Perdon? No escuche…
Wablief?
Coloca una X
Zet en X (Zetten)
Que sabes sobre el hombre?
Wat weet je over de man?
Clase, leccion
Les
Ellos se han divorciado
Ze zijn geschieden
Con (la otra forma) - Estoy con mi amigo
Ik ben bij mijn vriend
hijo, hijos - plurales
zoon, zonen
hombre, hombres - plurales
man, mannen
hija, hijas (plurales)
dochter, dochters
Ejemplos de ‘om’
As a preposition (around, about, at)
We lopen om het huis. → “We walk around the house.”
Hij komt om 8 uur. → “He comes at 8 o’clock.”
As a conjunction (to, in order to)
Ik studeer om te slagen. → “I study in order to pass.”
Ventana
Raam
Deletrear, jugar
Deletrear spel, jugar speel
Cuanto cuesta el libro de cocina?
Hoeveel kost het kookboek?
De donde vienes?
Uit welk land kom jij?
Que idioma hablas?
Welke taal spreek jij? Nota que es Welke y no Welk
La regla de welke/welk
WelkE se usa con sustantivos con DE
Welk con HET
Si es PLURAL es siempre WelKE
Como vas a la escuela?
Hoe kom jij naar school? Met de metro, met de fiets.
Donde vives?
Waar woon jij? Ik woon IN Antwerpen
Estas casado?
Ben jij getrouwd?
Tienes hijos?
Heb jij kinderen?
Cuanto tiempo llevas en Belgica?
Hoelang woon jij in Belgie? Ik woon nog maar 2 weken in Belgie
Quien eres?
Wie ben jij?
Exceptiones numeros
11 - Elf
12 - Twaalf
13 - Dertien
14 - Veertien
20 - Twintig
30 - Dertig
40 - Veertig
80 - Tachtig
100 - Honderd
11:00 analogico
elf uur
11:10 analogico
tien over elf
11:15 analogico
kwart over elf
11:30 analogico
half twalf
11:40 analogico
twintig voor twaalf
Cuando cumples?
Wanneer verjaar jij? Ik verjaar OP 17 november
Que edad tienes?
Hoe oud ben jij? Ik been 25 (jaar)
La regla de la T en las preguntas
En oraciones afirmativas, los verbos en segunda persona singular (“jij/je” y “u”) suelen llevar una “-t” al final en el presente.
Jij werkt veel. (Tú trabajas mucho.)
U loopt snel. (Usted camina rápido.)
Cuando una oración interrogativa comienza con el sujeto “jij” o “je”, la “-t” final desaparece
Werk jij bij Ontex? (¿Trabajas en Ontex?)
Loop jij naar huis? (¿Caminas a casa?)
Excepción con “u”
Con el pronombre formal “u”, la “t” sí se mantiene en preguntas:
Werkt u bij Ontex? (¿Trabaja usted en Ontex?)
Loopt u vaak? (¿Camina usted a menudo?)
Cuando es tu cumple?
Wanneer is jouw verjaardag?
Tiempo para hora digital
06 - 12 ‘s morgens
12 - 18 ‘s middags
18 - 00 ‘s avonds
00 0 06 ‘s nachts
Cerrado (comercio)
Gesloten
Abierto sin interrupciones
Doorlopend
Pausa entre semana
Sluitingsdag
Rellenar/completar un formulario
invullen
Ejemplos de ‘gustar’
Ik drink graag koffie. (Me gusta beber café.)
Ik drink niet graag koffie.
Reglas geen vs niet
Negación Ejemplo Traducción
“Niet” para verbos Ik werk niet. No trabajo.
“Niet” para adjetivos Dit huis is niet groot. Esta casa no es grande.
“Niet” para frases enteras Ik ga morgen niet. No voy mañana.
“Geen” para sustantivos sin artículo Ik heb geen hond. No tengo perro.
“Geen” para cantidades generales Hij heeft geen geld. Él no tiene dinero.
Que dijiste?
wat zeg je?
Puedes repetir
Kan je dat herhalen a.u.b?
Puedro preguntar algo?
Mag ik iets vragen?
Puedes hablar mas alto?
kan je een beetje luider spreken a.u.b?
que significa eso?
wat betekent dat?
puedes hablar mas lento?
kan je langzamer spreken a.u.b?
estoy listo
ik ben klaar
no estoy listo aun
een momentje. Ik ben nog niet klaar
Numeros, posiciones
EerSTE
tweede
derde
vierde
…achtSTE
twintigSTE
EenentwintigSTE (Como twintig (20) usa “-ste”, todos los números compuestos con “twintig” también usan “-ste)
Momentos del dia
Ochtend 6:00 - 12:00
Voormiddag 9:00 - 12:00
Middag 12:00 a 17:00
Namiddag 15:00 a 18:00
Avond 18:00 a 22:00
Nacht 22:00 hasta la madrugada
Middernacht 00:00
Vroege ochtend/dageraad 00:00 - 6:00