Class 11 Flashcards
alla, there
er, dar
Tienda de ropa
kledingwinkel
Me gusta comprar
Ik winkel graag (Sujeto + verbo + Graag)
No me gusta comprar
Ik winkel niet graag (Sujeto + Verbo + Niet + Graag)
Te gusta comprar?
Winkel jij graag?
Que te gusta hacer?
Wat doe jij graag?
Hacer compras de supermercado
Boodschappen
Comprar (shopping)
Winkelen
Voy al cafe, voy de vacaciones, voy al restaurant
Ik ga graag OP caffee, OP vacancies, OP restaurant
Me gusta ir al cine
Ik ga graag naar cinema
Mirar (una pelicula por ejemplo)
kijken
Ver (general)
Zien
Escuchar
Luisteren
Oir
Horen
Panaderia
Bakkerij
Pasteles y reposteria en general
Gebak
Carniceria
Slagerij
Pescaderia
Viswinkel
Zapateria
Schoenenwinkel
Servicios
Diensten
Traer (de velta)
Halen. Ik haal de boeken uit de bibliotheek (Voy a buscar los libros en la biblioteca). Ik haal de kinderen van school (Voy a traer a los niños de la escuela). Significa ir a buscar algo y luego traerlo de vuelta
Traer (normal)
Brengen. Ik breng de boeken naar de bibliotheek
Tienda de periodicos
Krantenwinkel
Chucheria
Snoep
Peluqueria
Kapsalon
Cortar
knippen
Ayuntamiento
Gemeentehuis
Mas o menos
meer of minder
Dinero
geld
Antes
Voordat
Antes (mas temprano)
Eerder
Despues
Na, daarna
Pantalones
broek
1 + 1/2
anderhalf
Dia de cierre
sluitingsdag
La reunión empieza a las 9
De vergadering begint om 9 uur
La tienda abre desde las 10
De winkel is open vanaf 10 uur
La tienda está abierta hasta las 18
De winkel is open tot 18 uur
El museo está abierto desde las 9 hasta las 17
Het museum is open van 9 uur tot 17 uur.