Class 15 Flashcards
La mayoria
De meeste
Familia (padres e hijos)
Gezin
Recibir
Ontvangen. Ik heb een cadeau ontvangen.
Recoger, obtener, alcanzar
Ik ga mijn kind van school halen. → Voy a recoger a mi hijo de la escuela.
Kun je wat brood halen bij de bakker? → ¿Puedes conseguir algo de pan en la panadería?
Hij haalde de trein net op tijd. → Alcanzó el tren justo a tiempo.
Saber
Weten
Tomo una ducha
Ik neem een douche.
Salir fuera
Uitgaan
Pasear, caminar
Wandele
Levantarse
Opstaan
Llegar a casa
Thuiskomen
Graag positivo
Ik speel graag tennis
Graag negativo
Nee, ik lees niet graag de krant
Noticia
Nieuws
Pavel ve las noticias as 7
Pavel kijkt om zeven uur naar het nieuws
Om zeven uur kikjt Pavel naar het nieuws
Pronunciar
Uitspreken
Ayudar
Helpen
El mar
De zee
Revista
Tijdschrift
Iglesia
Kerk
Cine
Cinema, bioscoop
Ir de viaje
Op reis gaan
Levantarse
Opstaan. Me levanto: ik sta op. Te levantas: jij staat op. Se levantan: julie staan op
Dientes
Tandem
Traigo los niños a la escuela
Ik breng de kinderen naar school.
Leccion, clase
Les
Que te gusta hacer?
Wat doe jij graag?
Me gusta manejar bicicleta
Ik fiets graag
Me gusta ir al cine
Ik ga graag nar de cinema
Que es lo que no te gusta?
Wat doe jij niet graag?
No ne gusta caminar
Ik loop niet graag
Hoy está muy frío
Het is vandaag erg koud
Hace calor afuera
Het is warm buiten
Hace mucho calor hoy, debemos beber agua
Het is heet vandaag, we moeten water drinken
Es un día soleado
Het is een zonnige dag
Está nublado, así que puede que llueva
Het is bewolkt, dus het gaat misschien regenen
Está tormentoso afuera, ¡quédate dentro
Het is stormachtig buiten, blijf binnen!
Está neblinoso esta mañana, no podemos ver mucho
Het is mistig vanmorgen, we kunnen niet ver zien
Que clima hace hoy?
Welk weer is het vandaag?
Hoe is het weer vandaag?
Wat voor weer is het vandaag?
Wat is het weer vandaag?
Graag invertido. Me gustaria una taza de cafe
Graag wil ik een kopje koffie
Graag + Verbo + Sujeto + complemento
Conducir
rijden. Hij rijdt een auto
Estructurs gaan
Estructura general
Sujeto + “gaan” + objeto + complemento + infinitivo
Zij gaat haar vriend van het station ophalen. → Ella va a recoger a su amigo de la estación.