Class 15 Flashcards

1
Q

La mayoria

A

De meeste

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Familia (padres e hijos)

A

Gezin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Recibir

A

Ontvangen. Ik heb een cadeau ontvangen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Recoger, obtener, alcanzar

A

Ik ga mijn kind van school halen. → Voy a recoger a mi hijo de la escuela.

Kun je wat brood halen bij de bakker? → ¿Puedes conseguir algo de pan en la panadería?

Hij haalde de trein net op tijd. → Alcanzó el tren justo a tiempo.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Saber

A

Weten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Tomo una ducha

A

Ik neem een douche.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Salir fuera

A

Uitgaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Pasear, caminar

A

Wandele

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Levantarse

A

Opstaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Llegar a casa

A

Thuiskomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Graag positivo

A

Ik speel graag tennis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Graag negativo

A

Nee, ik lees niet graag de krant

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Noticia

A

Nieuws

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Pavel ve las noticias as 7

A

Pavel kijkt om zeven uur naar het nieuws

Om zeven uur kikjt Pavel naar het nieuws

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Pronunciar

A

Uitspreken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Ayudar

A

Helpen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

El mar

18
Q

Revista

A

Tijdschrift

19
Q

Iglesia

20
Q

Cine

A

Cinema, bioscoop

21
Q

Ir de viaje

A

Op reis gaan

22
Q

Levantarse

A

Opstaan. Me levanto: ik sta op. Te levantas: jij staat op. Se levantan: julie staan op

23
Q

Dientes

24
Q

Traigo los niños a la escuela

A

Ik breng de kinderen naar school.

25
Q

Leccion, clase

26
Q

Que te gusta hacer?

A

Wat doe jij graag?

27
Q

Me gusta manejar bicicleta

A

Ik fiets graag

28
Q

Me gusta ir al cine

A

Ik ga graag nar de cinema

29
Q

Que es lo que no te gusta?

A

Wat doe jij niet graag?

30
Q

No ne gusta caminar

A

Ik loop niet graag

31
Q

Hoy está muy frío

A

Het is vandaag erg koud

32
Q

Hace calor afuera

A

Het is warm buiten

33
Q

Hace mucho calor hoy, debemos beber agua

A

Het is heet vandaag, we moeten water drinken

34
Q

Es un día soleado

A

Het is een zonnige dag

35
Q

Está nublado, así que puede que llueva

A

Het is bewolkt, dus het gaat misschien regenen

36
Q

Está tormentoso afuera, ¡quédate dentro

A

Het is stormachtig buiten, blijf binnen!

37
Q

Está neblinoso esta mañana, no podemos ver mucho

A

Het is mistig vanmorgen, we kunnen niet ver zien

38
Q

Que clima hace hoy?

A

Welk weer is het vandaag?
Hoe is het weer vandaag?
Wat voor weer is het vandaag?
Wat is het weer vandaag?

39
Q

Graag invertido. Me gustaria una taza de cafe

A

Graag wil ik een kopje koffie
Graag + Verbo + Sujeto + complemento

40
Q

Conducir

A

rijden. Hij rijdt een auto

41
Q

Estructurs gaan

A

Estructura general

Sujeto + “gaan” + objeto + complemento + infinitivo

Zij gaat haar vriend van het station ophalen. → Ella va a recoger a su amigo de la estación.