Class 14 Flashcards
Repetir
Herhalen
Tareas del hogar
het huishouden doen
Planchar
Strijken
Aspiradora
Stofzuiger
Saltar
springen
Huppelen
Trotar, dar pequenos saltos
Sonidos largos y cortos
kort klinker:
Unisilabas
kat
bel
Doble consonante
mannen (hombres)
bommen (bombas)
lang klinker
raden (adivinar)
bomen (arboles)
Por supuesto, si hay doble vocal es largo:
maan (luna)
boos (molesto)
Mientras
Terwijl
Descansar, relajarse
Ontspannen
Quiero escuchar la radio
Ik wil naar de radio luisteren (el infinitivo va al final)
Hablar
Praten
¿Sobre qué están hablando?
Waar praten ze over?
Razon
Reden
Asiento
Zitplaats
Sala de estar / Salón
Woonkamer
Cocina
Keuken
Dormitorio
Slaapkamer
Baño
Badkamer
Jardin
Tuin
Techo
Dak (exterior) Plafond (interior)
Sin techo
Dakloss
viejo, mas viejo, el mas viejo
oud, ouder, oudst
Me gusta, prefiero, lo que mas prefiero
Graag. Ik drink graag koffie
Liever. Ik drink liever thee dan koffie
Ik drink het liefst warme chocolademelk
Aprender
Leren
Nadie
Niemand
Ningun lado
Nergens. Ik won nergens meneer
Neither, nor
Noch. Wij zijn noch snel noch sterk
Nada
Niks
Recibir
Krijgen
Nada en absoluto
Halemaal niks
Nisiquera
Eens. De soep is niet eens warm
Anymore. No mas
Niet meer. Ze houdt niet meer van me. Ella no me quiere mas
Todavia no
Nog niet. Het eten is nog niet hier
Dar
Geven
Ninguna
Enkele. Hij kent geen enkele vrouw
Sin embargo
Hoevel
Neither
Noch. Wij zijn noch snel noch sterk
Otra vez
Weer. Ik ben weer thuis na een lange dag. (Estoy de nuevo en casa después de un día largo.) Tambien significa clima
De repente
Opeens. Hij stopte opeens met praten. (Él dejó de hablar de repente.)
Inmediatamente
Meteen. Ik bel je meteen terug. (Te llamo de inmediato.)
Cada every
Ieder. Ieder kind krijgt een cadeau. (Cada niño recibe un regalo.)