zinsleer Flashcards
onderwerp
geeft aan wie of wat de handeling verricht of in welke toestand iets verkeert.
het centrale punt waarover de zin gaat.
persoonsvorm
het werkwoord dat de handeling, gebeurtenis of toestand uitdrukt.
essentieel voor het vormen van een zin.
lijdend voorwerp
geeft aan wat of wie direct wordt beïnvloed door de actie van het werkwoord.
iets/ iemand + wie/ wat + gzegde + onderwerp?
meewerkend voorwerp
geeft aan aan wie of voor wie de handeling wordt verricht
aan/ voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
bijwoordelijke bepaling
geeft extra informatie over het gezegde
waarom?, Wanneer?, Hoelang?, Waarheen?, Waarvandaan?, Hoe?, Waarmee?
naamwoordelijk gezegde
het onderwerp zegt wie of wat iets is
werkwoordelijk gezegde
het onderwerp zegt wat het gezegde doet
voorzetselvoorwerp
begint altijd met een vast voorzetsel, komt voor bij een werkwoord met een vast voorzetsel, voorzetsel verbindt voorzetselvoorwerp met gezegde
handelend voorwerp
geeft in een passieve zin aan wie of wat de handeling uitvoert. Het voorzetsel “door” wordt meestal gebruikt om het handelend voorwerp in te leiden.