Beeldspraak Flashcards
1
Q
1: vergelijking
A
- 2 onderwerpen+beeld
-> verbonden door signaalwoord: als, zoals
= gemeenschappelijke kenmerken en beeld benadrukken
2
Q
2: metafoor
A
- onderwerp niet vermeld
- enkel beeld word aangegeven
- kenmerken-> onderwerp raden
- interpretatie!
3
Q
3: personificatie
A
- onderwerp: levenloos
- menselijke activiteit
- beeld of gevoel oproepen bij de lezer
4
Q
4: synesthesie
A
- mengen van zintuigen:
- gehoor
- zicht
- gevoel
- reuk
- smaak
-> nadruk, taalvariatie
5
Q
5: metonymie
A
- onderwerp niet vernoemd
- beeld: direct verband met onderwerp