actief en passief Flashcards

1
Q

OTT- onvoltooid tegenwoordige tijd

A

actief:
Jan knuffelt de hond.
passief:
De hond wordt geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

OVT- onvoltooid verleden tijd

A

actief:
Jan knuffelde de hond.
passief:
De hond werd door Jan geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

OTTT- onvoltooid toekomende tijd

A

actief:
Jan zal de hond knuffelen
passief:
De hond zal door Jan worden geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

OVTT- onvoltooid toekomende tijd

A

actief:
Jan zou de hond knuffelen.
passief:
De hond zou door Jan worden geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

VTT- voltooid tegenwoordige tijd

A

actief:
Jan heeft de hond geknuffeld.
passief:
De hond is door Jan genuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

VVT- voltooid verleden tijd

A

actief:
Jan had de hond geknuffeld.
passief:
De hond was door Jan geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

VTTT- voltooid toekomende tijd

A

actief:
Jan zal de hond hebben geknuffeld.
passief:
De hond zal door Jan zijn geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

VVTT- voltooid toekomende tijd

A

actief:
Jan zou de hond hebben geknuffeld.
passief:
De hond zou door Jan zijn geknuffeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

handelend voorwerp

A

de persoon of de zaak die de handeling in een passieve zin uitvoert. Het hv is het onderwerp in de actieve zin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

bijwoordelijke bepaling

A

zegt iets over het gezegde

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

voorzetselvoorwerp

A

begint met een vast voorzetsel, komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel. Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met een gezegde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly