actief en passief Flashcards
OTT- onvoltooid tegenwoordige tijd
actief:
Jan knuffelt de hond.
passief:
De hond wordt geknuffeld.
OVT- onvoltooid verleden tijd
actief:
Jan knuffelde de hond.
passief:
De hond werd door Jan geknuffeld.
OTTT- onvoltooid toekomende tijd
actief:
Jan zal de hond knuffelen
passief:
De hond zal door Jan worden geknuffeld.
OVTT- onvoltooid toekomende tijd
actief:
Jan zou de hond knuffelen.
passief:
De hond zou door Jan worden geknuffeld.
VTT- voltooid tegenwoordige tijd
actief:
Jan heeft de hond geknuffeld.
passief:
De hond is door Jan genuffeld.
VVT- voltooid verleden tijd
actief:
Jan had de hond geknuffeld.
passief:
De hond was door Jan geknuffeld.
VTTT- voltooid toekomende tijd
actief:
Jan zal de hond hebben geknuffeld.
passief:
De hond zal door Jan zijn geknuffeld.
VVTT- voltooid toekomende tijd
actief:
Jan zou de hond hebben geknuffeld.
passief:
De hond zou door Jan zijn geknuffeld.
handelend voorwerp
de persoon of de zaak die de handeling in een passieve zin uitvoert. Het hv is het onderwerp in de actieve zin.
bijwoordelijke bepaling
zegt iets over het gezegde
voorzetselvoorwerp
begint met een vast voorzetsel, komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel. Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met een gezegde.