Woordjes hoofdstuk 1 Flashcards
la rentrée
de eerste schooldag
recontrer
ontmoeten
lámi(e)
de vriend(in)
le frere
de broer
le/la jeune
de jongere
la découverte
de ontdekking
en avion
met het vliegtuig
en train
met de trein
en bateau
met de boot
en voiture
met de auto
de eerste schooldag
la rentrée
ontmoeten
recontrer
de vriend(in)
l’ami(e)
de ontdekking
la découverte
met het vliegtuig
en avion
met de trein
en train
met de boot
en bateau
met de auto
en voiture
de broer
le frere
de jongeren
le/la jeune
pourqoui
waarom
parce que
omdat
mais
maar
incroyable
ongeloofelijk
content
tevreden
es Espagne
in/naar spanje
en Allemagne
in/naar Duitsland
en Angleterre
in/naar Engeland
aux Pays-Bas
in/naar Nederland
en Belgique
in/naar België
waarom
pourqoui
omdat
parce que
maar
mais
ongelofelijk
incroyable
tevreden
content
in/naar Spanje
en Espagne
in/naar Duitsland
en Allemagne
in/naar Engeland
en Angleterre
in/naar Nederland
aux Pays-Bas
in/naar België
en Belgique
le voyage
de reis
le pays
het land
la famille
de famillie
la soeur
de zus
la sortie
het uitstapje
au début
in het begin, eerst
ensuite
daarna
pauvre
arm
loin
ver
la météo
het weerbericht
de reis
le voyage
het land
le pays
de familie
la famille
de zus
la soeur
het uitstapje
la sortie
in het begin, eerst
au début
daarna
ensuite
arm
pauvre
ver
loin
het weerbericht
la météo
je crois
ik geloof
je prends
ik neem, ik pak
j’ai peur
ik ben bang
rester
blijven
arriver
aankomen
il fait froid
het is koud
il fait mauvaise
het is slecht weer
il a plu
het heeft geregend
il pleut
het regend
le temps
het weer, de tijd
ik geloof
je crois
ik neem, ik pak
je prends
ik ben bang
j’ai peur
blijven
rester
aankomen
arriver
het is koud
il fait foid
het is slecht weer
il fait mauvaise
het heeft geregend
il a plu
het regend
il pleut
het weer, de tijd
le temps
comment vas-tu?
Hoe gaat het met jou?
ça va bien!/Pas mal.
Het gaat goed!/ Niet slecht
Tu as passé de bonnes vacances?
heb jij een leuke vakantie gehad?
Oui, c’était super!
Ja, het was super!
tu as été ou?
Waar ben je naartoe geweest?
J’ai été en Italie en voiture
ik ben naar italie geweest met de auto.
avec qui?
met wie?
Avec mes parents et mon frère.
met mijn ouders en mijn broer.
il a fait beau?
was het mooi weer?
Oui, il a fait chaud, il a fait 28 dergrés.
ja, het was warm. het was 28 graden.
Hoe gaat het met jou?
comment vas-tu?
Het gaat goed!/ Niet slecht
ça va bien!/Pas mal.
heb jij een leuke vakantie gehad?
Tu as passé de bonnes vacances?
Ja, het was super!
Oui, c’était super!
Waar ben je naartoe geweest?
tu as été où?
ik ben naar italie geweest met de auto.
J’ai été en Italie en voiture
met wie?
avec qui?
met mijn ouders en mijn broer.
Avec mes parents et mon frère.
was het mooi weer?
il a fait beau?
ja, het was warm. het was 28 graden.
Oui, il a fait chaud, il a fait 28 dergrés.