Test uw kennis - week 1 Flashcards
Hallo, ik ben Pauolo en dit is Helen.
Olá, sou Pauolo e esta é Helen
Ik ben van Lissabon. En u, (meneer)?
Sou de Lisboa. E o senhor?
(De) Maria is een goede vriendin.
A Maria é uma boa amiga.
Ik ga altijd naar huis in juni.
Vou sempre para casa em Junho.
We werken in (het) Estoril in augustus.
Trabalhamos no Estoril em Agosto
Ik heb ik New York gewerkt in maart.
Trabalhei em Nova Lorque em Março.
Wat is het dat u doet? Werkt u in de informatica?
O que é que faz? Trabalha em informâtica?
Ik was in Londen met de kinderen.
Estive em Londres com os filhos.
Een ogenblik, alsjeblieft. Wat is het? Kost het veel?
Um momento se faz favor. O que é? Custa muito dinheiro?
Heeft het huis een telefoon? Nee, jammer genoeg niet.
A casa tem telefone? Não, infelizmente não.
Goedendag. Bent u (de) mevrouw Soares uit (het ) Porto?
Bom dia, é a senhora Soares de o Porto?
Ik werkte voor een Amerikaans bedrijf.
Trabalhei para uma companhia americana.
Nu heb ik beter werk. Ik werk voor drie grote banken.
Agora tenho um trabalho melhor. Trabalho para três bancos grandes.
Luís! Gaan we naar Faro?
Luís, vamos para Faro?
Mijn vrouw is ook Amerikaanse. Ze is van Boston.
A minha esposa é americana também. Ela é de Boston.
Wij hebben goede plaatsen in het vliegtuig.
Temos lugares bons no avião.
Heb ik een Mercedes? Nee, jammer genoeg niet!
Tenho um Mercedes? Não, infelizmente não!
Mijn vriendin werkt, maar niet veel.
A minha amiga trabalha, mas não muito.
Ik ga op vakantie met (de) Teresa. Jammer genoeg is ze saai.
Vou de férias com a Teresa. Infelizmente, é chata.
Mijn naam is Peter Smith.
Eu meu nome é Peter Smith.