tekst 3 (sem 2) Flashcards
iam
(bijw.): nu, straks
facere
facio, feci, factum: fut ex(faxo): ik zal er voor zorgen
nuptiae
nuptiarum: bruiloft ( in Lat. altijd mv, Ned enk.)
non
(bijw.): niet
impar
imparis: ongelijk
legitimus
legitima, legitimum: wettig, legitiem
ius
iuris: wet
civilis
civele: burgerlijk
congruus
congrua, congruum: overeenstemmend met, (passend)
ilico
(bijw.): onmiddellijk
per
via, door middel van
Mercurius
Mercurii: Mercurius
arripere
arripio, arripui, arreptum: vastgrijpen
Psychen
acc Psyche
caelum
caeli: hemel
perducere
perduco, perduxi, perductum: leiden
iubere
iubeo, iussi, iussum: bevelen
porrigere
porrigo, porrexi, porrectum: uitstrekken
ambriosia
ambriosiae: ambrozijn
poculum
poculi: beker
sumere
sumo, sumpsi, sumptum: nemen
inquit
defectief ww: hij, zij, het zegt/zei
immortalis
immortalis, immortale: onsterfelijk
esto
imperatief esse: wees
umquam
(bijw.): ooit
digredi
digredior, gressus sum: weggaan
nexus
nexus: verbinding
perpetuus
perpeta, perpetuum: eeuwig