Engels part 2; vocab 10 Flashcards
1
Q
tijdschema
A
schedule
2
Q
op het ogenblik
A
currently
3
Q
waarschijnlijk
A
likely/probable
4
Q
waarschijnlijkheid
A
likelihood/probability
5
Q
keerpunt/mijlpaal
A
landmark
6
Q
geleidelijk
A
gradual(ly)
7
Q
eeuwig
A
eternal/perpetual
8
Q
eeuwigheid
A
eternity
9
Q
uiteindelijk/ten slotte
A
ultimately/eventually
10
Q
toeval
A
coincidence
11
Q
ophouden
A
to cease
12
Q
vroeger
A
former
13
Q
stadium
A
stage
14
Q
(on)geschikt
A
(in)convenient
15
Q
schrikken
A
to suit
16
Q
termijn
A
instalment
17
Q
aflevering
A
episode/instalment
18
Q
voorbarig/te vroeg
A
premature
19
Q
Middeleeuwen
A
Middle Ages
20
Q
middeleeuws
A
medieval
21
Q
tegelijkertijd
A
simultaneously
22
Q
versnellen
A
to accelerate/to speed up
23
Q
gewoonte
A
custom
24
Q
schrikkeljaar
A
leap year