Engels part 2; vocab 1 Flashcards
1
Q
verbal
A
verbaal/met woorden
2
Q
gebaar
A
gesture
3
Q
voorstellen
A
to propose/to suggest
4
Q
voorstel
A
proposal/suggestion
5
Q
voorstel/zakelijk voorstel
A
proposition
6
Q
to reject
A
verwerpen
7
Q
punt/agendapunt
A
item
8
Q
betekenen/inhouden
A
to imply
9
Q
laten doorschemeren
A
to imply
10
Q
(on)begrijpelijk
A
(un)intelligible
11
Q
richten/concentreren
A
to focus
12
Q
middelpunt
A
focus
13
Q
merken
A
to notice
14
Q
merkbaar
A
noticeable
15
Q
gerucht
A
rumour
16
Q
woordvoerder
A
spokesman
17
Q
commentaar geven
A
to comment
18
Q
commentaar
A
comment
19
Q
vragenlijst
A
questionnaire
20
Q
enquête/onderzoek
A
survey
21
Q
willekeurig
A
at random
22
Q
voltooien
A
to complete
23
Q
blijken
A
to emerge/toappear
24
Q
toevallig horen
A
to overhear
25
Q
onderwerp
A
topic/subject
26
Q
het is onbegrijpelijk
A
it doesn’t make sense
27
Q
betekenis
A
meaning/sence