Chapter 7-8 Flashcards
De mensen met wie je een band hebt door geboorte of door een huwelijk
English: Family, including extended family
(De) Familie[-s]
Een of meer ouders met een of meer kinderen
English: Core family
(Het) gezin[-nen]
Iemand van je familie
English: Family’s member(s)
(Het) familielid [-leden]
E.g. Nee, sorry, u mag niet naar binnen, alleen familieleden mogen de patient bezoeken.
Een vader of moeder zonder partner
English: Single parent
(alleenstaande ouder)
Iemand die nog niet volwassen is / Een zoon of dochter
English: The child
(Het) kind[-eren]
Aandacht geven
English: Pay attention to
Letten op [lette op/hebben gelet op] = passen op [paste op/hebben opgepast]
E.g. Kun je vanavond op de kinderen letten? Ik moet naar een vergadering.
Letten op kinderen van iemand anders.
English: Babysit
Oppassen (op) [paste op/hebben opgepast]
E.g. We zoeken iemand die morgenavond kan opassen op onze kinderen.
Een plaats waar je je kind overdag naartoe kan brengen als het nog te jong is om naar school te gaan.
English: Nursery
(De) creche[-s] = (het) kinderdagverblijf [-blijven]
E.g. Ze wachten al een jaar op een plaatsje in de creche voor hun jongste kind.
Een dochter van je oom of tante / Een dochter van je broer of zus
English: Cousin / niece
(De) nicht[-en]
Een zoon van je oom of tante / Een zoon van je broer of zus
English: Cousin / nephew
(De) neef [neven]
De keer dat iemand trouwt / De situatie dat iemand getrouwd is.
English: Wedding/Marriage
(Het) huwelijk[-en]
E.g. Al hun vrienden hadden samen een cadeau gekocht voor hun huwelijk / Na tien jaar huwelijk heeft Miranda besloten dat ze wil scheiden.
Trouwen
English: getting married
(in het huwelijk treden)
E.g. Aanstaande zaterdag treden Henk en Amelie in het huwelijk.
Voor de wet beloven dat je met iemand samen.
English: Marry
Trouwen [trouwde/is getrouwd]
E.g. Karel wil niet trouwen. Hij wil liever gewoon samenwonen met Sandra.
Als je met iemand verbonden bent door een huwelijk.
English: Married (with)
Getrouwd (met)
E.g. Onze directeur is getrouwd met mijn nicht.
Een einde maken aan je huwelijk.
English: Divorce
Scheiden [scheidde/is gescheiden]
E.g. Tina en Tom gaan scheiden, ze hebben allebei een nieuwe partner.
Als je een einde hebt gemaakt aan je huwelijk
English: Divorced
Gescheiden
E.g. Simon heeft een relatie met een gescheiden vrouw.
Stoppen met een relatie
English: Break up
Uit elkaar gaan [ gingen uit elkaar/zijn uit elkaar gingen]
E.g. Na een moeilijke relatie van vijf jaar zijn Dirk en Greet uit elkaar gegaan.
Persoonlijk, waar andere mensen niets mee te maken hebben.
English: private
Prive
E.g. Mijn relatie is prive, dat praat ik niet over.
Alle mensen die samen ergens leven
English: society/community
(De) maatschappij[-en] = (De) samenleving
E.g. Men zegt dat de mensen in onze maatschappij steeds eenzamer worden.
Wat met de maatschappij te maken heeft.
English: Social/socially
Maatschappelijk = sociaal
E.g. Drugsgebruik bij jongeren is een maatschappelijk probleem.
Een groep mensen die ergens samenleeft en samenwerkt
English: community
gemeenschap [-pen]
E.g. In onze grote steden vind je Turkse en Marokkanse gemeenschappen.
Wat van of voor meer mensen samen is.
English: Common/communal/shared
Gemeenschappelijk
E.g. U hebt in uw hotelkamer een eigen toilet, maar de douches zijn gemeenschappelijk. Ze zijn op de gang.
De manier waarop iets georganiseerd is.
English: System
(Het) systeem.
Wat te maken heeft met de maatschappij,maatschappelijk / iemand die sociaal is legt gemakkelijk contacten met anderen mensen en voelt wat zij voelen.
English: Social
Sociaal
E.g. Drugsgebruik bij jongeren is een groot sociaal probleem/Els is erg sociaal, ze heeft vrienden over heel de wereld.
Een regeling om iets te organiseren of te laten gebeuren
English: Measure (in the context of policy/law)
(de) maatregel[-en/-s]
Indien u weigert te betalen, moeten we maatregelen nemen.
Zonder rekening te houden met anderen, egoistisch.
English: Selfish/egoistic
Asociaal
E.g. Doe niet zo asociaal! Een leeg blikje gooi je toch niet op straat!?
Doen stoppen, doen verdwijnen
English: shut down
Opheffen [hief op/hebben opgeheven]
E.g. Omdat er te weinig kinderen waren ingeschreven, werd het schooltje opgeheven.
Het wezen dat kan denken en taal gebruikt.
English: Human (singular)/people(plural)
(De) mens[-en]
E.g. Waren er weel mensen op je feestje?
De mens als individu
English: person
(De) persoon[-sonen]
E.g. Hoeveel personen kunnen er in deze bus?
Alle mensen van een land of alle mensen met dezelfde geschiedenis en taal [volkoren] / Een grote groep mensen [geen meervoud]
English: people
(Het) volk
E.g. Gaat het volk wel akkoord met die nieuwe wetten? / Er was veel volk aanwezig op de beurs.
Alle mensen die in een land of een gebied wonen.
English: the population
(De) bevolking
E.g. De bevolking is niet tevreden over de president.
Wat voor het hele land geldt
English: National
Nationaal
Is Kerstmis een nationale feestdag?
Wat te maken heeft met een volk of met volkoren.
English: Ethnical
Etnisch
E.g. Veel oorlogen onstaan door etnisch-culturele problemen
Mensen met een witte huid
English: White (people)
Blank
E.g. Iedereen is welkom: klein en groot, jong en oud, blank en zwart!
Wat van of voor jezelf is.
English: personal
Persoonlijk
E.g. Nee, ik vertel je niets over mijn seksleven, dat is te persoonlijk
In eigen persoon
English: Self
Zelf (pronomina) = persoonlijk (adv.)
E.g. Heb je doe kast zelf gemaakt? / De minister terlefoneerde persoonlijk om zich te verontschuldingen.
Niet alleen, met een of meer andere personen
English: Together
Samen
E.g. We gaan elke week samen naar de markt.
Antonym: Individueel.
Met twee personen, met drie personen
met z’n tweeen, met z’n drieen
E.g. Zullen we met z’n tweeen naar de film gaan?
Als je veel geld hebt
Rijk
E.g. Greet is in een rijke familie geboren, daarom kan ze altijd dure kleren kopen.
Antonym: Arm
E.g. We zijn arme mensen, we kunnen niet elke week naar de bioscoop gaan.
Veel hebben van iets
(rijk zijn aan)
E.g. Nederland is rijk aan water.
Een aantal mensen die bij elkaar horen
English: Group
(De) groep[-en]
E.g. Sanne gaat altijd met een groep op vakantie omdat ze niet graag alleen reist.
Een bepaalde groep mensen van de bevolking
English: Class
(De) klasse[-n]
E.g. Zijn ouders komen uit een hogere klasse: ze hebben gestudeerd en zijn rijk.
De bewoners van een gemeente of land, een lid van de bevolking
English: citizen (civilian)
(De) burger[-s]
E.g. Alle burgers krijgen deze brochure gratis.
Als je nog niet lang leeft
English: young
Jong
E.g.: Ze ziet er volwassen uit maar eigenlijk is ze nog heel jong, veertien denk ik.
Antonym: Oud
E.g. De man van Sera is al heel oud.
De periode waarin je jong bent/de jonge mensen
English: Youth
(De) jeugd
E.g.: Mijn vader zet altijd dat alles beter was in zijn jeugd / Natuurlijk heeft de jeugd van tegenwoordig nog respect voor oudere mensen.
Iemand die ongeveer tussen de twaalf en de twintig jaar oud is.
English: youngster (young person) / teenager
(De) jongere
E.g. We informeren jongeren over de gevaren van drugs.
Antonym: (de) oudere[-n]
E.g. We adviseren ouderen om binnen te blijven met dit hete weer.
Een groep mensen die ongeveer dezelfde leeftijd heeft.
English: generation
(De) generatie[-s]
E.g. Voor de generatie van mijn ouders was het heel normaal om vroeg te trouwen.
De dingen die vroeger in je leven gebeurd zijn / De echte reden of oorzak
English: Background
(De) achtergrond[-en]
E.g. Hun huwelijk werkte niet, omdat ze allebei een totaal verschillende achtergrond hadden/Niemand kent de achtergrond van zijn depressie.
Iemand die niet meer hoeft te werken omdat hij te oud is.
English: (the) retired
(De) gepensioneerde[-n]
E.g. Op maandagochten maakt Fons altijd een wandeling met twee andere gepensioneerden uit de buurt.
Wat volgens oude gewoontes gebeurt
English: Traditional
Traditioneel
E.g. Een groepje jongeren voerde traditionele oosterse dansen op.
Iemand die een deel van zijn lichaam of geest niet kan gebruiken.
English: (the) disabled
(De) gehandicapte[-n]
E.g. Ze gaat naar een speciale school voor genhandicapten.
Een cursus om een vak of beroep te leren
English: Education/training
(De) opleiding[-en]
E.g. Hij heeft een opleiding van een jaar gevolgd om websites te leren maken.
(een opleiding volgen)
Geert heeft een informatica-opleiding gevolgd
Iemand die je leuk vindt en vertrouwt / Iemand van wie je houdt en met wie je een relatie hebt
English: Friend/Girlfriend/Boyfriend
(De) vriend-en/(de) vriendin[-nen] (female)
E.g. Cor gaat liever met zijn vrienden op vakantie dan met zijn familie/Wout woordt morgen vijf jaar en daarom geeft hij een feestje al zijn vriendjes/Lies en haar vriend gaan volgend jaar trouwen/Chris gaat zaterdag voor het eerst naar de bioscoop met zijn nieuwe vriendin.
Iemand die je kent (maar die je niet als vriend beschouwt)
English: acquaintance
(De) kennis[-sen]
E.g. Marco dronk in het cafe iets met een paar kennissen.
Iemand die naast je woont
English: Neighbour
(De) buur [buren]
E.g. De buren maken soms veel lawaai.
(De buurman/de buurvrouw)
Een deel van een stad of dorp, vaak (her)kennen de meeste mensen elkaar daar
English: Neighbourhood
(De) buurt
E.g. Dit is echt een gezellige buurt, vind ik.
Niet ver van waar je bent
English: In the neighbourhood
(In de buurt)
E.g. Is er hier een bakker in de buurt?
De manier waarop mensen met elkaar omgaan / een band van liefde
English: the relation
(De) relatie[-s] = (de) band[-en] = (de) verhouding[-en]
E.g. Saskia heeft een goede relatie met haar moeder / Marcel is jaren alleen geweest, maar nu heeft hij al tijdje een relatie met een leuk meisje.
De manier waarop verschillende zaken bij elkaar passen.
English: Connection
(De) relatie[-s]/(het) verband[-en]
E.g. Is er een relatie tussen veel vlees eten en dik zijn?
De relatie / de keer dat iets of emand aangeraakt wordt
English: contact
(Het) contact[-en]
E.g. Het contact met mijn vader is erg goed / Pieter heeft veel behoefte aan lichamelijk contact.
Elkaar zien, horen of ontmoeten
English: in contact with
(contact hebben met)
E.g. Olivier en zijn vader hebben al jaren geen contact meer met elkaar.
Iemand bellen of schrijven om contact te hebben
English: get in contact/get in touch
(contact opnemen met)
E.g. Wanneer kan ik het best contact met je opnemen?
De situatie dat je iets bezoekt / de mensen die iemand bezoeken
English: visit
(Het) bezoek = (de) visite
E.g. Het museumbezoek is gratis vandaag/ we hebben het bezoek een kopje koffie aangeboden.
Bezoeken
English: (to) visit
(op bezoek) / (visite gaan [bij])
E.g. Elke zondag gaan we bij oma op bezoek.
Bij iemand op bezoek gaan of komen
English: come by/drop by
langskomen (bij) [kwam langs/is langsgekomen]
E.g. Kom maar even langs als je tijd hebt / Zal ik even bij je langskomen?
Langs iemand of iets komen, passeren
English: pass by
Voorbijkomen [kwam voorbij/is voorbijgekomen]
E.g. Er kwam een politieagent op een paard voorbij.
Langs iemand of iets gaan
English: Pass by
Voorbijgaan [ging voorbij/is voorbijgekomen]
E.g. De kinderen keken door het raam en zagen Sinterklaas voorbijgaan.
Bij elkaar
English: together
Bijeen (adv.)
E.g. Met Kerstmis komt de hele familie gezellig bijeen.
Iemand toevallig of na een afspraak zien en spreken.
English: Meet
Ontmoeten [ontmoette/hebben ontmoet]
E.g. Ze gaat zonder vrienden op vakantie omdat ze nieuwe mensen wil ontmoeten.
Een mondelinge of schriftelijke overeenkomst om iets te doen of elkaar te zien.
English : Appointment
(De) afspraak [-spraken]
E.g. Ik moet de tandarts bellen voor een afspraak. / Anna heeft zaterdag een afspraakje met die knappe kongen uit de disco.
Een afspraak maken, samen iets beslissen
English: make an appointment
Afspreken [sprak af/hebben afgesproken]
E.g. Zullen we morgenavond afspreken? / Ze hebben afgesproken dat ze het aan niemand zullen vertellen.
Zeggen dat een afspraak niet doorgaat
English: Cancel (the appointment)
Afzeggen [zei/zegde af / hebben afgezegd]
E.g. Omdat Jort ziek is, heeft hij het etentje afgezegd.
Vertellen wie iemand is
English: introduce
[zich] voorstellen [stelde (zich) voor/hebben (zich) voorgesteld]
E.g. Mag ik mevrouw Frieze, onze nieuwe directeur, voorstellen? / Zal ik me even voorstellen? Ik ben Liu uit China.
Voor de eerste keer ontmoeten
English: Meet (for the first time)
Kennismaken (met) [maakte kennis/hebben kennisgemaakt]
E.g. Hebben jullie al kennisgemaakt? / Het was prettig met u kennis te maken.
Iemand toevallig zien en spreken.
English: come across /meet
Tegenkomen [kwam tegen/is tegengekomen]
E.g. Gisteren ben ik Joop tegengekomen in de Kalverstraat.
Weten wie, wat of hoe iets of iemand is
English: know (someone)
Kennen [kende/hebben gekend]
E.g. Ik ken Anna erg goed.
Meer te weten komen over iemand die je tegenkomen
English: Get to know
(leren kennen)
E.g. Frank heeft zijn vriendin leren kennen op het werk.
Ergens naartoe gaan voor je plezier, bijvoorbeld naar een cafe of naar een discotheek.
English: Go(ing) out
Uitgaan [ging uit/is uitgegaan]
E.g. Tom gaat elk weekend uit tot 6 uur ‘s ochtends.
Een groep mensen die samen zijn of samen iets doen.
English: party/company
(Het) gezelschap[-pen]
E.g. We gingen met hele gezelschap wat drinken.
Samen met iemand dingen doen, omgaan met iemand
English: hang(ing) out with
Optrekken met [trok op met/is opgetrokken met]
E.g. Ray en Nolleke trekken vaak met elkaar op.
Iemand die pas in een land is aangekomen om er te wonen
English:newcomer
(De) nieuwkomer[-s]
Nieuwkomers moeten zich melden op het stadhuis.
Iemand die bescherming vraagt in een ander land omdat het in zijn land te gevaarlijk is.
English: asylum seeker
(De) asielzoeker[-s]
E.g. Veel asielzoekers willen in Europa wonen.
Contact hebben met iemand die aankomt of hulp geven aan iemand met problemen.
English: take in/(to) give help or shelter
Opvangen [ving op/hebben opgevangen]
E.g. De overheid probeert asielzoekers zo goed mogelijk op te vangen.
De eerste hulp aan mensen met problemen
English: shelter
(De) opvang
E.g. De opvang van de slachtoffers is erg professioneel.
De keer dat mensen samenkomen om dingen te bespreken.
English: meeting/assembly
(De) vergadering[-en]
E.g. Tom zeg nooit iets tijdens een vergadering.
Note:
Meer formeel dan het overleg
Een gesprek om iets te regelen
English: consultation
(Het) overleg
E.g. Het overleg met de collega’s duurde lang.
Note:
meer informeel dan de vergadering
meer algeemen dan de vergadering
Samen bespreken om tot een besluit te komen
English: (to) consult
Overleggen [overlegde/hebben overlegd]
E.g Laten we eerst overleggen met de collega’s voor we iets beslissen
Iets wat je gaat bespreken, een onderwerp
English: point/subject
(Het) punt[-en]
E.g. Wat is het volgende punt op de agenda?
Iets waar niet iedereen het over eens is
English: point of discussion.
(een punt van discussie)
E.g. Of je asielzoekers geld moet geven? Dat is nog steeds een punt van discussie.
Klaar ! De discussie is gesloten!
English: End of discussion! / Period!
(punt uit!)
E.g. De regels worden niet veranderd. Punt uit!
Zonder andere mensen.
English: Alone
Alleen
E.g. Piet is niet zo sociaal, hij blijf liever alleen thuis.
Als je alleen voelt.
English: Lonely
Eenzaam
E.g. Sinds de dood van haar man is Maria erg eenzaam.
Samen met anderen doen
English: participate/join in
Meedoen (aan) [deed mee/hebben meegedaan] = Deelnemen (aan) [nam deel/hebben deelgenomen]
E.g. Ik heb geen zin om mee te doen, speel maar even zonder mij / Bert zal niet meedoen aan het kampioenschap.
Deelnemen, meedoen
English: participate
Participeren (in/aan) [participeerde/hebben geparticipeerd] form.
E.g. Hoe kunnen wij in dit project participeren?
Een groep mensen die in een cirkel staan of zitten
English: Circle
(De) kring [-en]
E.g. Iedereen in de kring vertelde iets.
Zijn/Laten ontstaan
English: (to) form
Vormen [vormde/hebben gevormd]
E.g. Mohammed en Sylvia vormen een paar / De kinderen vormden een kring.
Zeggen met een luide stem/Iemand vragen te komen als die op een andere plaats is
English: shout/call
Roepen [riep/hebben geroepen]
E.g. Je hoeft niet zo te roepen, ik hoor je wel! / Wil jij Anna even roepen, het eten is klaar.
Steun geven, iets doen voor iemand wat die persoon niet alleen kan doen, nuttig zijn.
English: Help
Helpen [hielp/hebben geholpen]
E.g. Ik wil je wel helpen als er een probleem is.
Een beetje helpen
English: give a hand
(een handje helpen)
E.g. Kun je even een handje helpen? Dit kan niet alleen.
Het helpen of geholpen worden
English: (the) help
(De) hulp
E.g. Hij heeft zelf zijn huis gebouwd, met de hulp van zijn ouders.
Ergens je doel kunnen bereiken of hulp kunnen vinden.
English: ??
Terechtkunnen [kon terecht/hebben terechtgekund]
E.g. Waar kan ik terecht met die vraag?
De aandacht die je iemand geeft of de moeite die je voor iemand doet / Alle instanties die zorgen voor mensen die bijvoorbeld ziek of oud zijn
English: care
(De) zorg[-en]
E.g. Selma vindt de zorg voor haar kinderen het belangrijkste in haar leven/Medische zorg kost vaak heel veel geld.
Als je de schuld krijgt wanneer er iets fout gaat
English: Responsible/accountable
Verantwoordelijk
E.g. Wie is er verantwoordelijk als er een ongeval gebeurt op school; de leraar of de directeur?
(verantwoordelijk zijn voor)
E.g. Ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen.
Aanbieden, geven, leveren
English: offer
Bieden [bood/hebben geboden]
E.g. De dokter bood snel hulp.
Iets gratis en op een vriendelijke manier geven
English: on me (my treat)
Aanbieden [bood aan/hebben aangeboden]
E.g. Mag ik een drankje aanbieden
Note: De betekenis is hetzelfde met “tracteren”
Het verschil is in de gebruik van de woord.
E.g. Ik tracteer (op een drankje).
Zeker weten dat iemand iets zal doen of dat iets zal gebeuren, verwachten
English: count on
Rekenen op [rekende op/hebben gerekend op]
E.g. Ik zal je helpen. Je kunt op me rekenen.
Denken aan iets, iets niet vergeten (en eventueel je gedrag veranderen)
English: take into account/consideration
(Rekening houden met)
E.g. Sst jongens, geen lawaai maken. Linda voelt zich niet zo lekker en daar moeten we rekening mee houden.
Iets zonder problemen kunnen, niet moeilijkheden komen
English: handle (it by yourself)
Zich redden [redde zich/hebben zich gered]
E.g. Ik heb geen hulp nodig. Ik red me wel alleen.
Ervoor zorgen dat iets gebeurt.
English: (to) organize
Organiseren [organiseerde/hebben georganiseerd] = Regelen [regelde/hebben geregeld]
E.g. Ik moet nog van alles regelen voor mijn vakantie.
Het regelen, het in orde brengen van iets.
English: (the) organization
(De) organisatie[-s]
E.g. Wie neemt de organisatie van het feest op zich?
Een afspraak volgens officiele regels
English: regulation&policy
(De) regeling[-en]
E.g. Volgens de examenregeling moet je op tijd komen.
Iets doen of zeggen als antwoord op iets
English: (to) response
Reageren (op) [reageerde/hebben gereageerd]
E.g. Ik heb haar geroepen, maar ze reageert niet./ Hij is met vakantie, denk ik, want hij heeft nog steeds niet gereageerd op mijn email.
De situatie dat twee of meer mensen boos zijn met elkaar.
English: dispute/disagreement/argument
(De) ruzie
E.g. Jack en Elly hebben ruzie met hun buren.
(ruzie maken)
E.g. Onze kinderen zitten constant ruzie te maken. Heel vervelend!
Iets of iemand bewegen door er kracht achter te zetten.
English: push
Duwen [duwde/hebben geduwd]
E.g. Je moet duwen om die deur te openen.
Problemen, moeilijkheden hebben met iets.
English: suffer from
(Last hebben van)
E.g. Pieter heeft last van het lawaai bij de buren. Hij kan niet slapen.
De keer dat je iets mag of moet doen of dat je bediend wordt in een winkel.
English: turn/queue
(De) beurt[-en]
Vandaag is het jouw beurt om de afwas te doen.
De volgende zijn die bediend wordt.
English: next (turn)
(aan de beurt zijn)
E.g. Wie is er aan de beurt? / Nu ben ik aan de beurt, ik sta hier al een half uur te wachten.
Eerst de een en dan de ander
English: take turns
(om de beurt)
E.g. De kinderen mochten om de beurt een snoepje nemen.
Het blij zijn, het leuk vinden
English: pleasure
(Het) plezier
E.g. Ik wens je veel plezier met je vrienden!
(met plezier)
E.g. Ken jij kinderen die hun huiswerk met plezier maken?
Iets doen wat iemand blij maakt.
English: do a favor
(Een plezier doen)
E.g. Zal ik jou eens een plezier doen en iets lekker voor je koken?
Een feest geven omdat er iets speciaals gebeurt.
English: celebrate
Vieren [vierde/hebben gevierd]
E.g. We vieren dat oma 70 is geworden
(je verjaardag vieren)
E.g. We vieren mijn verjaardag met een etentje.
Iets wat je regelmatig doet.
English: Habit
(De) gewoonte[-s/-n] = (het) gebruik[-en]
E.g. Mijn vader heeft de gewoonte om op zondag wat langer te slapen / Wat vind je de vreemdste gebruiken in Nederland?
Zorgen dat je iets weet of kunt door te studeren of te oefenen / zorgen dat iemand anders iets kan of weet
English: (to) learn
Leren [Leerde/hebben geleerd]
E.g. Welke nieuwe woorden heb je in de les Frans geleerd? / Mijn vader heeft me leren autorijden.
Note: veel algemeener dan studeren
Een studie volgen aan een universiteit of een hogeschool / Leren door actief bezig te zijn
English: (to) study
Studeren [studeerde/hebben gestudeerd]
E.g. An studeert filosofie aan de universiteit/Ik heb vandaag hard gestudeerd.
Note: Alleen echt voor universiteit niveau.
Als geen direct object, dan de betekenis is: (to) study in general.
Iets vaak doen om het te leren
English: (to) exercise
Oefenen [oefende/hebben geoefend]
E.g. Als je elke dag oefent op de piano, dan zal het snel beter gaan.
Een opdracht die je doet om iets te leren
English: (the) exercise
(De) oefening[-en]
E.g. Morgen maken we extra oefeningen in de klas.
Niet meer weten/Niet aan iets denken terwijl je dat eigenlijk wel moest doen.
English: Forget
Vergeten [vergat/hebben(is) vergeten]
Sorry, ik ben je naam vergeten [is vergeten] / Oei, ik heb/ben mijn paraplu vergeten [hebben/is vergeten]
Iets zo goed leren of kennen dat je het niet meer vergeet.
English: learn by heart
Uit het hoofd leren/kenen = vanbuiten leren/kennen
E.g. Volgende week moeten jullie deze 100 woorden uit het hoofd kennen/Acteurs moeten veel tekst uit het hoofd.
Niet vergeten
English: (to) remember
Onthouden [onthield/hebben onthouden]
E.g. Onthoud goed wat ik je heb verteld, want het is heel belangrijk.
Proberen iets zo goed mogelijk te doen.
English: do your best
je best doen
E.g. Opa zegt dat ik altijd mijn best moet doen op school.
Een tekening die toont hoe iets werkt of die informatie ordent.
English: (the) scheme/diagram
(Het) schema[-‘s]
E.g. Dit schema laat zien hoe de motor van een auto werkt.
Een moeilijke situatie waar niet meteen een oplossing voor is.
English: (the) problem /difficulty
(Het) probleem [-blemen] = (De) moeilijkheid [-heden]
E.g. Jos heeft al jaren problemen met zijn gezondheid. / Marie heeft wat moeilijkheden op school omdat ze zo weinig vriendinnetjes heeft.
De keer dat je je ene voet voor de andere zet.
English: (the) step
(De) stap[-pen]
E.g. Met kleine stapjes kwam ze naar me toe.
Een grote verandering, iets heel belangrijks
English: a big step
(een hele stap)
E.g. Van een kleine dorpsschool naar de universiteit, dat is een hele stap voor Leentje.
Langzaam, elke keer een beetje.
English: step by step
(stap voor stap)
E.g. Kinderen leren stap voor stap lezen en schrijven
Met twee of meer mensen aan iets werken.
English: work together
samenwerken (met) [werkte samen/hebben samengewerkt]
E.g. Elke leerling moet met iemand uit een andere klas samenwerken aan die taak.
Het samenwerken
English: cooperation/collaboration
(De) samenwerking[-en]
E.g. De samenwerking tussen de studenten verloopt niet altijd even goed.
Geestelijk groeien
English: evolve
(zich) ontwikkelen [ontwikkelde zich/hebben zich ontwikkeld]
E.g. Vroeger was Frank heel verlegen, maar hij heeft zich ontwikkeld tot een sterkte jongeman.
Het gevoel dat je hebt als je van iemand houdt of als je iets heel graag doet.
English: love
(De) liefde [-s]
E.g. Siegfried heeft geen vrouw nodig, hij heeft genoeg aan zijn liefde voor zijn muziek.
Iets wat gunstig is, iets wat positief is
English: Benefit/advantage
(Het) voordeel [-delen]
E.g. Het is een voordeel als je als kind al een beetje Frans hebt geleerd.
Antonym: (het) nadeel [-delen]
E.g. Het is een nadeel dat je zo ver van de school woont.
Een maatregel omdat je iets deed wat niet mag
English: (the) punishment
(De) straf [-fen]
E.g. Jan heeft straf gekregen omdat hij zijn oefeningen niet wilde maken.
De lessen die je kunt volgen
English: Education
(Het) onderwijs.
E.g. Kinderen met een handicap krijgen speciaal onderwijs.
Lessen op school aan kinderen tot 12 jaar
(basisonderwijs) = lager onderwijs
Lessen op school aan kinderen tussen 12 en 18 jaar
(middelbaar onderwijs) = voortgezet onderwijs = secundair onderwijs.
Lessen die je kunt volgen na het middelbaar onderwijs
(hoger onderwijs)
Het onderwijs als waar je een beroep kan leren
(beroeponderwijs)
De keer dat iemand je iets leert
English: lesson/class
(De) les [-sen]
E.g. Paulien heeft pianoles op woensdag en zwemles op zaterdag.
Een groep leerlingen die samen les krijgen / Een ruimte waarin je les kan volgen, het klaslokaal
English: (the) class
(De) klas[-sen]
E.g. Max zit in de derde klas van de middelbare school/Er zijn geen ramen in onze klas.
Een reeks van lessen over een bepaald thema
English: (the) course
(De) cursus[-sen]
E.g. Tatiana wil een cursus Nederlands volgen.
Deelnemen aan iets
English: follow
Volgen [volgde/hebben gevolgd]
E.g. Kato volgt een cursus Frans voor beginners.
Een naam voor een middelbare school
English: (the) college
(Het) college[-s]
Iemand die een cursus volgt
(De) cursist[-en] (male) / (De) cursiste [-s] (female)
Een gebouw waar je les kunt volgen
English: (the) school
(De) school [scholen]
Les volgen in een school
(naar school gaan) = (op school zitten)
E.g. Jan gaat niet graag naar school / Sjef zit op school in Tilburg, omdat zijn vader daar leraar is.
Iemand die les krijgt
English: Pupil
(De) leerling[-en]
E.g In de klas van meester Tom zitten 24 leerlingen.
Een kind dat naar school gaat
(De) scholier[-en]
E.g. Scholieren mogen geen mobiele telefoon gebruiken op school
Iemand die studeert aan een universiteit of een hogeschool
English: (the) student
(De) student[-en] (male) / (De) studente [-s] (female)
E.g. De meeste studenten wonen op kamers.
Iemand die voor zijn of haar beroep dingen leert aan leerlingen
English: Teacher
(De) leraar[-raren] (male) / (De) lerares [-sen] (female)
Iemand die lesgeeft aan leerlingen van de basisschool
(De) onderwijzer[-s] (male) / (De) onderwijzeres [-sen] (female)
Een man die lesgeeft aan leerlingen van de basisschool
(De) meester[-s]
Een vrouw die lesgeeft aan leerlingen van de basischool
(De) juffrouw[-en]/(de) juf[-fen] = (de) juf
Een van de dingen die je leert op school, zoals wiskunde of Engels / een beroep
English: subject/area of work
(Het) vak[-ken]
E.g. Heb je voor alle wakken een voldoende behaald? / Die kapper kent zijn vak, dat zie je zo!
Het vak dat je het liefst doet
(lievelingsvak)
E.g. Mijn lievelingsvak is Frans
Een opleideing volgen om te leren voor een beroep
(Een vak leren)
E.g. In het beroeponderwijs kun je een vak leren
English: History
(De) geschiedenis
English: Economy
(De) economie
English: language
(De) taal [talen]
English: Mother tongue
((De) moedertaal)
English: Foreign language
((De) vreemde taal)
English: Language course
(De) taalcursus[-sen]
English: Chalk
(Het) krijt
E.g. Meester Jan schreef alle namen met krijt op het bord.
English: school bag
(De) schooltas[-sen]
English: paper
(het) papier
English: a sheet of paper
((het) blad/vel papier)
English: Pen
(De) pen[-nen]
English: pencil
(Het) potlood[-loden]
English: Read
Lezen [Las/hebben gelezen]
English: Book
(Het) boek[-en]
Een boek dat je nodig hebt op school
English: School book
((Het) schoolboek)
English: Dictionary
(Het) woordenboek[-en]
Proberen te vinden
English: (to) look up/search
Opzoeken [zocht op / hebben opgezocht]
E.g. Kun je dat woord even opzoeken in het woordenboek?
English: absent
Afwezig
E.g. De directeur is even afwezig, maar misschien kan ik u helpen?
English: present
Aanwezig
E.g. Is iedereen aanwezig? Dan kunnen we vertrekken.
English: (to) visit
Bezoeken [bezocht/hebben bezocht]
E.g. Johan is zijn tante in het ziekenhuis gaan bezoeken.
English: Example
(Het) voorbeeld[-en]
E.g. In dit boek staat bij elk woord een voorbeeldzin/ Bij elke oefening staat een voorbeeld, zodat je kan zien hoe je de oefening moet maken.
English: for example
Bijvoorbeld
E.g. In die school kan je veel cursussen volgen, bijvoorbeeld een cursus Frans of een cursus informatica.
English: (the) task
(De) taak [taken]
E.g. Het is de taak van de leraar om de kinderen rustig te houden.
Een taak die iemand je geeft
(De) opdracht[-en]
E.g. De leerlingen hebben de opdracht gekregen om de moeilijke woorden in hun woordenboek op te zoeken.
Dat wat je moet doen, de taak
(De) opgave [-n]
E.g. In de opgave staat dat je het werkwoord in de juiste vorm moet schrijven.
English: (the) method
(De) methode[-n/-s]
E.g. Ken je een goede methode om mijn zoontje te leren lezen.
English: Attention
(De) aandacht = (de) attentie
E.g. Mag ik even jullie aandacht? /Attentie. attentie! Kasper zoekt zijn mama. Hij wacht op haar bij de receptie.
English: pay attention to
(aandacht schenken aan)
E.g. Sommige studenten schenken te weinig aandacht aan hun studie.
English: Finish
Af (adv.) = klaar
E.g. Is je huiswerk al af?
English: Properly/decent
Netjes
E.g. Schrijf de zinnen netjes over / Je moet je netjes gedragen in de klas.
English: Talk = speak
Praten (met/over) [praatte/hebben gepraat] = spreken (met/over) [sprak/hebben gesproken]
E.g. Vanaf ongeveer twee jaar begint een kind te praten/Hij wil (met) de directeur spreken/Ik wil even met je praten over dat probleem.
English: conversation
(Het) gesprek[-ken] = (De) conversatie[-s]
E.g. Ik had een interresant gesprek met de directeur.
English: listen (to)
Luisteren (naar) [luisterde/hebben geluisterd]
E.g. Luister je elke dag naar het nieuws op de radio?
English: (to) write
Schrijven [schreef/hebben geschreven]
English: word
(het) woord[-en]
English: sentence
(de) zin[-nen]
English: letter/character
(de) letter[-s]
English: Alphabet
(het) alfabet[-ten]
English: (to) spell
Spellen [spelde/hebben gespeld]
E.g. Tenissen, hoe spel je dat?
English: (to) translate
Vertalen (in/naar) [vertaalde/hebben vertaald]
E.g. Joost vertaalt boeken voor zijn beroep./ Kun je die tekst in/naar het Frans vertalen?
English: (to) count
Rekenen [rekende/hebben gerekend]
E.g. Op school leren die kinderen lezen, schrijven, en rekenen.
Dit gebruik je om te zeggen dat je getallen bij elkaar moet optellen
Plus (+)
E.g. 74 plus 5 is 79.
Dit gebruik je om te zeggen dat je getallen van elkaar moet aftrekken
Min (-)
40 min 13 is 27
Dit gebruik je om te zeggen dat je getallen door elkaar moet delen
Gedeeld door (:) 10 gedeeld door 5 is 2
Dit gebruikt je om te zeggen dat je getallen met elkaar moet vermenigvuldigen
Maal (x)
3 maal 3 is 9.
English: Recess/rest
(De) pauze[-s]
E.g. Je rookt altijd een sigaret in de pauze?
English: (the) bell
(de) bel[-len]
English: (the) playground
(de) speelplaats[-en]
E.g. Alle leerlingen moeten om half negen op de speelplaats zijn.
Eindigen, stoppen
English: End
Aflopen [liep af/is afgelopen]
E.g. De les is afgelopen. We hebben pauze.
English: (have) free
Vrij hebben [had vrij/hebben vrij gehad]
E.g. Omdat we maandag vrij hebben, krijgen we extra huiswerk.
English: free day
(De) vrije dag
E.g. Op de nationale feestdag hebben de meeste mensen een vrije dag.
English: holiday
(De) vakantie[-s]
English: (the) answer
(Het) antwoord[-en]
E.g. Tim wist het antwoord op de vraag.
English: (the) mistake
(De) fout[-en]
E.g. Er staan veel taalfouten in je opstel.
(een fout maken)
E.g. In deze oefening heb je de meeste fouten gemaakt.
English: wrong
Fout
E.g. DAt antwoord is fout, helaas.
Antonym:
Juist = correct
E.g. Is dit woord juist geschreven?
English: (the) test
(De) toets[-en] = (de) tests[-en/-s]
E.g. Ik moet 100 woorden leren voor de toets van Frans.
English: (the) official examination
(Het) examen[-s] = (het) tentamen[-s]
English: (to) take an examination
(Een examen afleggen)
E.g. De studenten moeten in dit lokaal hun examen afleggen.
English: (to) pass an examination
(Een examen halen)
E.g. Heb je het examen gehaald? Gefeliciteerd!
English: (the) level
(Het) niveau[-s]
E.g. Via een test bepalen we het niveau van het Nederlands van onze studenten.
English: (the) standard/norm
(De) norm
E.g. Bij ons is een zes de norm om te slagen voor een examen.
Een fout, vaak doordat je niet goed hebt nagedan.
English: mistake/error
(De) vergissing[-en]
E.g. Ik heb de verkeerde oefening gemaakt, excuus voor deze vergissing.
English: (the) score
(Het) punt[-en]
E.g. Je kunt tien punten verdienen met die oefening.
English: (the) mark/result
(Het) cijfer[-s]/(het) resultaat[-taten]
E.g. Jan moet harder studeren: hij had een slecht cijfer voor Engels
English: (to) succeed/pass
Slagen (voor) [slaagde/is geslaagd]
E.g. Lien had een 5.5 voor Grieks en was dus net geslaagd want het minimum is een 5
Antonym: zakken (voor) [zakte/is gezakt] = buizen (voor) [buisde/is gebuisd] inform.
Naar een hogere klaas gaan
English: move up
Overgaan [ging over/is overgegaan]
E.g. In September gaat Joost over naar groep vijf.
Antonym: Blijven zitten [bleef zitten/is blijven zitten]
E.g. Franca moet blijven zitten in groep 6.
Zorgen dat je klaar bent om iets te doen.
English: (to) prepare/have oneself ready
(zich) voorbereiden (op) [bereidde zich voor/hebben zich voorbereid]
E.g. Krijgen we nog wat tijd om ons voor te bereiden?/Als je je goed voorbereid hebt op het examen, zul je zeker slagen.
English: (the) report
(Het) rapport[-en]
English: (the) headmaster
(De) directeur[-en/-s] (male) / (de) directrice [-s] (female).
English: (to) graduate
Afstuderen [studeerde af/is afgestudeerd]
E.g. Karel is in 2002 afgestudeerd.
Een school voor hoger onderwijs
(De) hogeschool [-scholen]
English: (the) university
(De) universiteit.
English: (the) study
(De) studie[-s]
Iemand die aan een universiteit helpt met onderzoek en onderwijs
(De) assistent[-en] (male) / (de) assistente[-s] (female)
Iemand die aan een universiteit het onderzoek en het onderwijs in een bepaald vak leidt.
English: (the) professor
(De) professor [professoren/-s]
Een deel van een faculteit of hogeschool
English: (the) department
Afdeling[-en]
E.g. Wat is het adres van de afdeling Gescheidenis van de universiteit?
English: (to) research/investigate
Onderzoeken [onderzocht/hebben onderzocht]
E.g. De vakgroep Informatica onderzoekt hoe de universiteit de studenten goedkope computers kan aanbieden.
English: (the) research
(Het) onderzoek[-en]
(onderzoek doen naar)
E.g. Professor doet onderzoek naar ziektes bij baby’s
English: manner/method/way
(De) manier[-en] = (de) methode[-n/-s] = (de) wijze[-n]
English: science/knowledge
(De) wetenschap[-pen]
E.g. In dit artikel kunt u lezen over de nieuwste ontwikkelingen in de wetenschap.
Iets wat te maken heeft met wetenschap/universitair
Wetenschappelijk
E.g. Er loopt een interessante tentoonstelling in het Wetenschappelijk Museum / Wetenschappelijk onderzoek is belangrijk, maar het kost wel veel geld.
English: (the) scientist
(De) wetenschapper[-s]
E.g. Albert Einstein was een van de belangrijkste wetenschappers van de twentigste eeuw.
English: (the) expert
(De) specialist[-en]
E.g. Jan is een specialist in taal: hij kent elke grammatica regel
English:(the) article
(Het) artikel[-s/-en]
E.g. Professor Alens schrijft geregeld artikelen over moderne kunst.