Chapter 5-6 Flashcards
De dingen die je eet
(Het) eten
E.g. Kom maar aan tafel. Het eten is klaar
Als het eten is nog “nieuw” is, pas klaar gemaakt of geplukt
vers
E.g. Wie wil er een glas vers sinaasappelsap?
Als het eten is al “oud”is, bruin en slecht
rot
E.g. In het gras tussen de bomen lagen rotte appels.
Een voorwerp van plat en dun metaal om voedsel in te bewaren
(het) blik[-ken]
E.g. Ik houd niet van soup uit blik.
De zachte vruchten van bijvoorbeeld bomen die je kunt eten
(het) fruit
E.g. Je moet elke dag twee stuks fruit eten. Dat is gezond.
Iets dat uit een bloem groeit en dat je kunt eten, een stuk fruit
(de) vrucht[-en]
E.g. Kun je de vruchten van deze exotische plant eten?
English: Apple
(de) Appel[-en/-s]
English: Banana
(de) Banaan[-nanen]
English: Lemon
(de) Citroen[-en]
English: Strawberry
(de) aardbei[-en]
English: Orange
(de) sinaasappel[-en/-s]
English: Pineapple
(de) ananas[-sen]
English: Grape
(de) druif [druiven]
Planten of delen van planten die je kunt eten
(de) groente[-n/-s]
English: potato
(de) aardappel[-en/-s]
English: A loaf of bread
(het) brood [broden]
English: Sandwich/small bread
(het) broodje[-s]
English: slice of bread
(de) boterham [-men]
English: French bread
(het) stokbrood[-broden]
Iets lekker dat zoet en plat is, en dat je bakt met bloem, eieren, boter en suiker
(de)koek[-en] / (het) koekje[-s]
E.g. Wil je een koekje bij de thee?
Een blik [=een doos van metaal] met een deksel om koekjes in te doen.
(de)koektrommel[-s]
E.g. Neem maar een koekje uit de koektrommel.
Zoet gebakken lekkers, vaak met fruit of slaagroom
(de) taart[-en]
E.g. Deze bakker maakt de lekkerste taarten van de stad.
Zoet gebakken lekkers voor een persoon, vaak met fruit of slaagroom
(het) gebakje[-s] = (het) taartje[-s]
Gekookte vruchten met suiker om op je brood te doen
(de) jam = (de) confituur
Een zoete stof die bijen maken en die je op brood of in thee kunt doen
(de) honing
Snoep eten
snoepen (snoepte/hebben gesnoept)
E.g. Als je te veel snoept, dan word je dik.
het zachte deel van het lichaam van een mens of dier
(het) vlees
Iets wat weinig vat bevat
mager
E.g. Voor mij 200 gram magere ham, graag
Een stof die tussen het vlees van mensen en dieren zit en die je dik maakt
(het) vet [-ten]
E.g.Er zit veel vet in deze worsten.
Iets waar veel vet in of aan zit
Vet
E.g. Als je frietjes eet met je handen moet je je vette vingers na het eten goed wassen.
Het vet onder de huid van sommige dieren
(het) spek
E.g. Hoe ouder een koe, hoe taaier het vlees.
English: Egg
(het) ei[-eren]
Een ei dat ongeveer drie tot vier minuten heeft gekookt en waarvan het eigeel nog zacht is
Eten klaarmaken / warmer worden dan 100 graden Celcius
Koken (kookte/hebben gekookt)
E.g. Wim kookt graag/Als het water kookt, mag je de eieren erin doen.
Zorgen dat het klaar is om te gebruiken of om op te eten
Klaarmaken (maakte klaar/hebben klaargemaakt)
E.g. Wie maakt vandaag het eten klaar?
Vol maken
Vullen (vulde/hebben gevuld)
E.g. Kun je deze pan met water vullen?
Met een mes in stukken verdelen
Snijden (sneed/hebben gesneden)
E.g. Kleine kinderen kunnen het vlees nog niet zelf snijden.
Door elkaar doen zodat het een geheel wordt.
English: (to) mix
Mengen (mengde/hebben gemengd)
E.g. Meng het meel, de suiker en de melk.
Bij iets doen
English: (to) add
Toevoegen (voegde toe/hebben toegevoegd)
E.g. Als de soep klaar is, kun je nog een beetje zout en peper toevoegen.
Elk van de dingen die je in een gerecht doet
(het) ingredient[-en]
E.g. Welke ingredienten heb je nodig voor spaghettisaus?
Het gevoel dat je moet eten.
(de) honger
E.g. Als je honger hebt, neem je maar een appel.
Erg veel honger hebben
English: starving
< Rammelen van de honger
E.g. Hoe laat eten we? Ik rammel van de honger!
Voedsel door je mond in je lichaam laten gaan
English: Eat
Eten (at/hebben gegeten)
E.g. Heb je al gegeten vandaag?
Eten tot alles weg is
Opeten (at op/hebben opgegeten)
E.g. Heb je die meloen helemaal opgegeten?
Iets in je mond stoppen om te onderzoeken hoe het smaakt
Proeven (proefde/hebben geproefd)
E.g. Mag ik jouw drankje eens proeven?
Een bepaalde (certain) smaak hebben
Smaken (smaakte/hebben gesmaakt)
E.g.Deze appels smaken lekker zoet.
Dat zeg je als je wilt weten of iemand iets lekker vond
< heeft het gesmaakt?
E.g. Heeft het gesmaakt? Wil je nog een kopje koffie?
Goed smakend, lekker
Smakkelijk
Dit was een smakkelijk gerecht.
Een vloeistof door je mond in je lichaam laten gaan
Drinken (dronk/hebben gedronken)
Als het warm weer is, moet je veel drinken.
Het gevoel dat je moet drinken
(de) dorst
E.g. Na het sporten heb ik altijd zo’n dorst
Een vloeistof zonder kleur of smaak die je nodig hebt om te kunnen leven
(het) water
E.g. Er komt geen water uit de krant. Dat is vreemd.
De vloeistof die uit een vrucht komt
(het) sap[-pen]
Er zit veel sap in deze appels.
Koffie met veel/weinig water
< slappe/sterkte koffie
E.g. Ik heb sterkte koffie nodig om wakker te worden.
Koffie of thee klaarmaken
< koffie/thee zetten
E.g. Zal ik koffie zetten?
Bij iemand op bezoek gaan en een kopje koffie drinken
< op de koffie gaan bij iemand
E.g. Lpm eens een keer op de koffie!
Vruchtensap van appels / appels/ citroen
(het) sinaasappelsap = (de) jus d’orange / (het) appelsap/ (het) citroensap.
Een gele of bruine drank met alcohol
(het) bier[-en]
Een glas bier
(het) biertje = (het) pilsje = (het) pintje
Een drankje dat je voor het eten drinkt, meestal met met alcohol
(het/de) aperitief [-tieven]
Goed van smaak of geur
Lekker
E.g. Wat een lekkere soep. Heb je die zelf gemaakt? (adj.) / Het ruikt hier lekker. Ben je aan het koken? (adv,).
Erg lekker
Heerlijk
E.g. Dat was een heerlijke maaltijd!
Wat niet lekker smaakt of ruikt
Vies
E.g. Onze kinderen vinden dat spruitjes vies smaken.
Erg warm
Heet.
E.g. Voorzichtig, De soep is heet.
Met weinig smaak
Flauw
E.g. Mag ik het zout even? De soep is te flauw
Een sterkte smaak die niet zout, zuur of zout is en meestal niet aangenaam is.
Bitter
E.g. Sara houdt niet van de bittere smaak van witlof.
Een witte stof die meer smaak geeft aan voedsel
(het) zout
E.g. Het water uit de zee smaakt zout.
Een specerij die je gebruikt om eten scherp te laten smaken
(de) peper
E.g. Er zit te veel peper in de saus.
Het witte vruchtvlees van de kokosnoot
(het) kokos
E.g. Er zit kokos in de koekjes.
Met een kleine afstand tussen de ene en de andere kant.
Dun
E.g. Wilt u de kaas niet te dun snijden?
Met een grote afstand tussen de ene en de andere kant
Dik
E.g. Ik heb een dikke plak ontbijtkoek gepakt.
Een voorwerp waar je drank in doet om op tafel te zetten.
(de) kan
English: Glass
(het) glas [glazen]
English: Cup
(het) kop[-pen]/(het) kopje[-s]
English: Saucer
(het) schoteltje[-s]
English: Bottle
(de) fles[-sen]
English: Can
(het) blikje[-s]
English: spoon
(de) lepel[-s]
English: fork
(de) vork[-en]
English: knife
(het) mes[-sen]
English: Eating plate
(het) bord[-en]
English: small plate
(de) schaal [schalen]
English: bowl
(de) kom
Het eten dat dagelijks op een vast tijdstip plaatsvindt
English: meal
(de) maaltijd{-en] = (het) maal [malen]
Een deel van een maaltijd op een schaal
English: dish
(de) schotel [-s] = (het) gerecht[-en]
Met bijvoorbeld een lepel nemen
scheppen (schepte/hebben geschept)
E.g schep maar een paar aardappels op je bord
De maaltijd die je ‘s ochtends eet
(het) ontbijt
E.g. Het ontbijt bestond uit broodjes, koffie en vers fruit.
’s ochtends eten
ontbijten (ontbeet/hebben ontbeten)
E.g. Je moet goed ontbijten, dan heb je ‘s middags minder snel honger.
De maaltijd die je ‘s avonds eet
(het) avondeten
E.g. Zorg dat je op tijd thuis bent voor het avondeten.
De hoeveelheid voedsel die je in een keer in je mond neemt
(de) hap[-pen]
E.g. WIl je proeven mijn soep? Neem maar een hapje.
Iets kleins eten
Het belangrijkste deel van een maaltijd
(het) hoofdgerecht[-en]
E.g. We aten soep, een hoofdgerecht en een dessert.
Iets zoets dat je eet aan het einde van een maaltijd
(het) dessert[-s] = (het) toetje[-s] = (het) nagerecht [-en]
E.g Als dessert is er fruit, ijs of een gebakje.
Een bevroven mengsel van melk of water, suiker, en een smaakje
(het) ijs/ (het) ijse[-s]
Wat je een financieel voordeel oplevert
Voordelig
E.g. Deze winkel is echt voordeliger dan die andere.
Synonym= goedkooper
De mate waarin iets goed of slecht is
(de) kwaliteit
E.g. Let jij op de kwaliteit van de stof als je T-shirts koopt?
Van goede kwaliteit
Dagelijk
E.g. Je hebt dagelijke schoenen nodig om in de bergen te gaan wandelen.
Kledingstukken
(de) kleren (meestal in het meervoud)
E.g. We hebben nieuwe kleren gekocht voor de zomer.
Materiaal waarvan je bijvoorbeeld kleding maakt.
(de) stof [-fen] = (het) textiel
Aan of op je lichaam hebben
Dragen (droog/hebben gedragen)
E.g. Marie draagt een leuke jurk.
Aan het lichaam doen
English: put on
Aandoen (deed aan/hebben aangedaan) = aantrekken (trok aan/hebben aangetrokken)
E.g. Zal ik een rok of een broek aandoen?
Van het lichaam af doen
Uitdoen (deed uit/hebben uitgedaan) = Uittrekken (trok uit/hebben uitgetrokken)
E.g. Johan deed zijn broek uit.
Kleren aandoen
(zich) aankleden (kleedde (zich) aan/hebben (zich) aangekleed)
E.g. Ik kleedde me snel aan.
Kleren uitdoen
(zich) uitkleden (kleedde (zich) uit/heben (zich) uitgekleed)
E.g. Kleed je maar uit en ga in bad / De verpleegkundige hielp de patient zich uit te kleden.
Op je hoofd plaatsen
Opzetten (zette op / hebben opgezet)
E.g. Zet dit hoedje maar op.
Erg bijzonder en duur
Exclusief
E.g. Ik vind exclusieve kleren niet belangrijk.
English: skirt
(de) rok[-ken]
English: dress
(de) jurk[-en] = (de) japon[-nen] = (het) kleed [kleden]
English: pants
(de) broek[-en]/(de) pantalon[-s]/(de) jeans (broek)[-en]/ (de) spijkerbroek[-en]
English: the suit
(het) pak[-ken]
English: jacket/coat
(het) jasje = (de/het) colbert
English: shirt
(het)[over]hemd[-en] = (het) shirt[-s]
English: vest
(het) vest[-en]
English: tie
(de) knoop [knopen] = (de) [stroop]das[-sen]
English: sweater
(de) trui [-en]
English: blouse
(de) bloes [bloezen] = (de) blouse[-s]
English: T-shirt
(het) t-shirt[-s]
English: raincoat
(de) regenjas[-sen]
English: pocket
(de) zak[-ken]
English: hat
(de) hoed[-en]
English: cap
(de) pet [-ten]
English: scarf
(de) sjaal[-s]
English: shoes
(de) schoen[-en]/ < een paar schoenen
English: boots
(de) laars [laarzen]
English: socks
(de) sok[-ken]/
English: long socks
(de) kous[-en]
English: women’s wallet
(de) portefeuille[-s]
English: wallet
(de) portemonnee[-s]
English: handbag
(de) handtas[-sen]
English: ring
(de) ring[-en]
English: underwear
(het) ondergoed
English: stripes
(de) streep [strepen]/ < een t-shirt met streepjes
Een bedrijf waar je dingen kunt kopen
(de) winkel [-s]
Iemand die iets koopt
(de) klant[-en]
E.g. De klanten stonden in een rij voor de kassa
Iets krijgen door geld te geven
kopen (kocht/hebben gekocht)
E.g. Waar heb je die mooie vaas gekocht?
Iets aan iemand geven en daar geld voor krijgen
Verkopen (verkocht/hebben verkocht)
E.g. In ons land is het verboden bepaalde exotische dieren te verkopen
Een man/vrouw die iets verkoopt
(de) verkoper[-s] (male)/(de) verkoopster[-s] (female)
Een rij woorden of zinnen onder elkaar
(de) lijst[-en]
E.g. Maak maar een lijstje van wat we nog moeten doen.
Een lijstje van alles wat je in de winkel moet kopen
< (het) boodschappenlijstje
E.g. Zonder boodschappenlijstje vergeet ik altijd wat ik allemaal moet kopen.
Iemand bedienen in een winkel
Helpen (hielp/hebben geholpen)
E.g. Kan ik u helpen?
Dingen halen of dingen doen voor een klant in een winkel of restaurant
Bedienen (bediende/hebben bediend)
E.g. In dit restaurant word je erg vriendelijk bediend.
Om zich heen kijken
Rondkijken (keek rond/hebben rondgekeken)
E.g. Ik wil graag even rondkijken. Ik zoek een leuke trui.
Winkelier die dingen verkoopt die je kunt eten of die je gebruikt om te koken; zo noem je ook die winkel
(de) kruidenier[-s]
E.g. Haal eens snel zes eieren bij de kruidenier.
Iemand die groenten en fruit verkoopt (ook de winkel noem je zo)
(de) groenteman[-nen] = (de) groenteboer[-en]
Bij de groenteman heb ik twee kilo tomaten gekocht.
Een bedrijf, bijvoorbeeld een winkel
(de) zaak [zaken]
Mijn moeder werkt in de zaak van haar zus.
Zeggen hoeveel je voor iets wilt betalen
Bieden (bood/hebben geboden)
E.g. Ik bied 100 euro voor die vaas.
Niet gesloten
Open
E.g. Tot hoe laat is de winkel open?
Openmaken, opendoen
Openen (opende/hebben geopend)
E.g. Wil je deur even openen?/Hoe laat opent de bakker?
Opengemaakt worden
Opengaan (ging open/is opengegaan)
E.g. Hoe laat gaat de winkel open?
De tijden dat bijvoorbeeld een winkel of kantoor open is
(de) openingstijden
Niet open
Dicht = gesloten =toe (adv.)
E.g. De winkel is dicht op zondag.
Zorgen dat iets niet meer open is
sluiten (sloot/hebben (is) gesloten)
E.g. Pardon, mevrouw, hoe laat sluit u de winkel? (hebben gesloten) // Hoe laat sluit de supermarkt (is gesloten).
Zorgen dat iets niet meer open is, sluiten
Dichtdoen (deed dicht / hebben dichtgedaan)
E.g. Pardon, mevrouw, hoe laat doet u de winkel dicht?
Sluiten, gesloten worden (het)
Dichtgaan (ging dicht / is dichtgegaan)
E.g. Hoe laat gaat de supermarkt dicht?
Gesloten met een sleutel
Op slot
E.g Is de deur op slot?
Iets wat je kunt kopen in een winkel
(het) artikel [-en/-s] / (het) product [-en]
E.g. Onze artikelen zijn van de beste kwaliteit
Een hoeveelheid geld
(het) bedrag[-en]
E.g. Hij heeft voor een klein bedrag een huis gekocht in Frankrijk.
Iets wat je organiseert met een bepaald doel
(de) actie[-s]
E.g. speciale actie: koop nu en betaal over 5 jaar!
Een artikel dat voor een korte periode goedkoper is dan gewoonlijk.
(de) aanbieding[-en]
Te koop voor een lagere prijs dan gewoonlijk
< In de aanbieding
E.g. Deze week zijn de bitterballen in de aanbieding.
Geld dat je aan de overheid moet betalen
(de) belasting[-en]
E.g. Wie veel verdient, betaalt veel belasting
In het getal wat je noemt, er al bij geteld
Inbregepen = inclusief
E.g. De prijs is 50 euro, btw inbegrepen
Geschikt, juist, vrij goed / Tamelijk, nogal
Redelijk
E.g. De belastingen die we betalen vind ik redelijk (adj.) / Vind je deze computer niet redelijk duur? (adv.)
Niet te duur
< voor een redelijke prijs
E.g. Hier kun je voor een redelijke prijs leuke jasjes kopen.
Hoger worden, omhooggaan
Stijgen (steeg / is gestegen)
E.g. De waarde van de euro is gestegen.
Lager worden, omlaaggaan
Dalen (daalde/is gedaald)
E.g. De prijzen van mobiele telefoons blijven dalen.
Hoger maken
Verhogen (verhoogde/hebben verhoogd)
E.g. De bakkers hebben de prijs van het brood verhoogd.
Een verpakking van papier of karton
(het) pak[-ken]
Iets geven en iets anders in de plaats krijgen
Ruilen
E.g. Als u niet tevreden bent over een van onze producten, dan kunt u het ruilen.
een bepaalde indruk geven, er doen uitzien
Stand (stond/hebben gestaan)
E.g. Hoe staat deze hoed me?
< het staat je (goed)
E.g. Dat jasje is erg mooi. Het staat je (goed)!
Een kledingstuk aantrekken om te zien of het de juiste maat is
Passen (paste/hebben gepast)
E.g. Wilt u deze schoenen passen?
Geschikt zijn voor, mooi zijn bij
Passen bij (paste bij/hebben gepast bij) E.g. De witte hemd past goed bij die grijze broek.
Iets, klein - niet breed
Smal
E.g. De broek is smal
Antonym: breed
Met weinig ruimte zodat je niet goed kunt bewegen
Strak = nauw
E.g. Een strakke broek kan erg sexy zijn. / De broek zit strak
Antonym: Wijd
Met veel ruimte
Wijd
English: money
(het) geld
English: coin
(het) kleingeld = (de) munt[-en]
English: paper money
(het) bankbiljet[-ten] = (het) briefje [-s]
Geld geven om iets te kopen
Betalen (betaalde/hebben betaald)
E.g. Mag ik u morgen betalen?
Geven aan, gebruiken voor
Besteden aan (besteedde/hebben besteed) E.g. Marijke besteedt veel tijd aan haar huiswerk
Geld besteden aan iets
Uitgeven [aan] (gaf uit/hebben uitgegeven)
E.g. We hebben in Londen veel uitgegeven (we spent a lot of money in London)
< geld uitgeven [aan]
E.g. Heb je veel geld uitgegeven aan die nieuwe jurk?
English: credit card
(de) creditcard [-s]/(het)kredietkaart[-en]
Allerlei dingen bij elkaar brengen tot je een geheel hebt
Bouwen (bouwde/hebben gebouwd)
E.g. We gaan ons eigen huis bouwen.
Bouwen tot je een geheel hebt, langzaam bouwen
Opbouwen (bouwde op/hebben opgebouwd)
E.g. Dit dorpje is na een aardbeving opnieuw opgebouwd.
De keer dat je bouwt; de manier waarop iets gebouwd is
(de) bouw
E.g. voor de bouw van een huis heb je veel bakstenen nodig.
Alles waarmee je iets kunt maken.
(het) materiaal[-alen]
E.g. Van welk materiaal is deze tafel gemaakt?
Een stuk hard materiaal dat je in de grond vindt
(de) steen[stenen]
E.g. De jongens gooiden stenen naar de politie.
Een steen waarmee je een huis kan bouwen
(de) baksteen[-stenen]
E.g. Bakstenen hebben vaak een roodbruine kleur.
Een grote, ronde steen
English: cobblestone
(de) kei[-en]
E.g. Op de strand lagen mooie, zwarte keien.
Een platte soort steen, in de vorm van een vierkant of rechthoek op de vloer of tegen de wand.
English: Tile
(de) tegel[-s]
E.g. In de badkamer willen we leuke, kleurige tegeltjes.
Een lang rond voorwerp waar een vloeistof door kan
English: tube
(de) buis [buizen]
E.g. We hebben nog een buis nodig in de badkamer.
Een schilderij maken / met verf een bepaalde kleur geven, verven
Schilderen (schilderde/hebben geschilderd)
E.g. Vincent van Gogh heeft zijn hele leven geschilderd/We willen deze muur nog schilderen.
English: Roof
(het) dak[-ken]
English: Window
(het) raam [ramen] = (het) venster [-s]
English: Wall
(de) muur [muren]
Een muur in een huis
(de) wand[-en]
E.g. Er hangen leuke foto’s aam de wamd
English: floor
(de) vloer[-en]
E.g. Er ligt een mooi tapijt op de vloer.
English: Ceiling
(het) plafond[-s]
E.g. Er hangen dure lampen aan het plafond.
English: floor (level)
(de) verdieping [-en] =(de) etage
E.g. Ons kantoor is op de vijfde verdieping
Het deel van een gebouw op het niveau van de straat
(de) begane grond = (de) benedenverdieping
E.g. Het secretariaat is op de begane grond.
Een deel van een gebouw onder de grond
English: basement
(de) kelder[-s]
E.g. Robert bewaart zijn flessen wijn in de kelder.
De ruimte in een huis onder het dak.
English: Attic
(de) zolder[-s]
E.g. Op de zolder staan dozen met oude kleren.
English: stair
(de) trap [-pen]
English: the trap (of the stairs)
(de) trede[-n]
English: elevator (lift)
(de) lift [-en]
De plaats waar je een gebouw in gaat
English: Entrance
(de) ingang[-en]
E.g. Bij de ingang van onze school heb ik de burgemeester gezien.
De plaats waar je een gebouw uit gaat
English: Exit
(de) uitgang[-en]
E.g. Ik zie je straks bij de uitgang, goed?
Naar binnen laten gaan
Toelaten (liet toe/hebben toegelaten)
E.g. Kinderen worden hier niet toegelaten.
Een gebouw om in te wonen
(het) huis [huizen]
E.g. Wim en Mark hebben samen een huis gekocht.
Een plaats waar je woont (huis, flat, kamer…)
(de) woning[-en]
E.g. We zoeken een woning in het centrum van de stad.
Iets wat gebouwd is
(het) gebouw[-en] = (het) pand[-en]
E.g. Dit gebouw heeft een bibliotheek en een theaterzaal.
Hoge dingen hebben een grote afstand tussen het bovenste en het onderste punt
Hoog
E.g. In Amsterdam staan niet veel hoge gebouwen.
op de tweede verdieping, op de derde verdieping.
Lage dingen hebben een kleine afstand tussen het bovenste en het onderste punt.
Laag
E.g. De plafonds in deze oude huizen zijn erg laag.
English: Balcony
(het) balkon
E.g. We drinken ‘s avonds graag een wijntje op het balkon
Een ruimte bij een huis om een auto in te zetten
English: Garage
(de) garage[-s]
E.g. Zet je fiets maar naast de auto in de garage.
Een klein gebouwtje bij een huis om spullen in te bewaren
English: Shed
(de) schuur [schuren]
E.g. Er staat een ladder in de schuur.
In een gebouw gaan wonen zonder dat je de toestemming hebt van de eigenaar
Kraken (kraakte/hebben gekraakt)
E.g. Een groepje jongeren heeft een huis gekraakt waar al enkele jaren niemand in woonde.
English: Garden/park
(de) tuin[-en]
Een soort muurtje van hout of ijzer rond een terrein
English: Fence
(het) hek[-ken]
Een heel klein, eenvoudig (simple) huisje, bijvoorveeld in een bos of aan het strand
(de) hut[-ten]
E.g. De kinderen hebben op vakantie een hut gebouwd tussen de bomen.
In je eigen huis / je ergens goed voelen, je op je gemak voelen
Thuis (adv.)
E.g.Morgen ben ik thuis. Kom dan maar een kopje koffie drinken, als je wilt.
< je thuis voelen
E.g. Dit is een heerlijk hotel, ik voel me hier echt thuis.
English: Flat
(de) flat[-s]/(het) appartement[-en]
Een flat met twee/drie kamers
(de) tweekamerflat[-s]/(de) driekamerflat[-s]
E.g. Voor veel studenten is een tweekamerflat te duur.
Een hoog gebouw met veel flats of kantoren die boven elkaar liggen
(het) flatgebouw[-en]/(het) appartemensgebouw[-en]
E.g. De mooiste flatgebouwen zijn vaak ook de duurste.
Een groot en mooi huis dat alleen staat
(de) villa[-‘s]
E.g. Deze villa kost een miljoen euro!
Een heel groot huis van een koninklijk persoon
(het) paleis [-leizen]
E.g. Het paleis waar de koninklijke familie woont, kun je daar zien, achter de bomen.
Iemand die voor zijn beroep huizen helpt kopen en verkopen
(de) makelaar [-s]
E.g. Heb je je huis via een makelaar gekocht?
Betalen om iets voor een tijde te gebruiken
Huren (huurde/hebben gehuurd)
E.g. Truus huurt een flat in het centrum van Den Haag.
Het geld dat je betaalt om iets te huren
(de) huur = (de) huurprijs [prijzen]
E.g. De huur van ons huis is erg laag.
Als je iets kunt huren
De eigenaar van een huis van wie je een kamer of het hele huis kunt huren
(de) huisbaas [bazen] (male)/(de) huisbazin [-nen] (female)
E.g. De huisbaas heeft ons een kopie van het huurcontract gegeven.
Iemand laten betalen om iets van je te gebruiken
Verhuren (verhuurde/hebben verhuurd)
E.g. Meneer Cremers verhurrt studentenkamers.
Een huis dat je huurt
(het) huurhuis [-huizen]
E.g. We hebben jaren in een huurhuis gewoond. Sinds vorig jaar hebben we ons eigen huis.
Een woning die je huurt
(de) huurwoning[-en]
E.g. Sommige huurwoningen zijn echt te duur.
Iemand die iets huurt
(de) huurder[-s]
E.g. We zoeken een huurder voor ons huis aan zee.
Iemand die op een bepaalde plaats woont
(de) bewoner[-s]
E.g. De bewoners moesten het gebouw verlaten omdat er brand was ontstaan op de benedenverdieping.
Van plaats veranderen of in een ander huis gaan wonen /de spullen van iemand naar een andere plaats brengen
Verhuizen (verhuisde/hebben (is) verhuisd)
E.g. Toen ik tien jaar oud was , zijn we in Breda naar Amsterdam verhuisd. (is verhuisd)/Kun je me morgen helpen de piano te verhuizen? (hebben verhuisd)
English: door
(de) deur[-en]
De deur aan de voorkant van je huis
< (de) voordeur
E.g. Er staan prachtige bloemen naast de voordeur.
Antonym: < (de) achterdeur
English: doorstep
(de) drempel[-s]
E.g. Ik struikelde over de drempel.
English: mailbox
(de) brievenbus[-sen]
E.g. De postbode deed de brieven door de brievenbus.
English: key
(de) sleutel[-s]
De opening waar een sleutel in kan om iets te sluiten
(het) slot
E.g. Je fietssleutel zit nog in het slot.
Met je vingers of je hand op of tegen iets slaan zodat je een geluid hoort
Kloppen (klopte/hebben geklopt)
E.g. Er werd drie keer op de deur geklopt.
De meestal kleine ruimte achter de voordeur.
(de) hal[-len]
E,g, Ik doe mijn schoenen altijd uit in de hal.
Een ruimte in een gebouw
(de) kamer[-s]
Een soort tafel in de keuken waarop je bijvoorbeeld groenten snijdt en de vaat zet
English: Kitchen counter
(de/het) aanrecht[-en]
E.g. De borden staat klaar op het aanrecht.
Een smalle ruimte met deuren naar verschillende kamers
(de) gang[-en]
E.g. Het is druk in de gangen van het ziekenhuis.
Een plaats tussen vier muren/een lege plek, een plaats waar niets staat [geen meervoud]
English: space
(de) ruimte
E.g. In deze ruimte willen we een badkamer maken/Heb je veel ruimte in je nieuwe huis.
Plaats gebruiken, ruimte nodig hebben
Innemen (nam in/hebben ingenomen)
E.g. Die grote tafel neemt bijna de helft van de kamre in.
English: faucet
(de) kraan [kranen]
English: bathtub
(het) bad[-en]
English: shower
(het) douche[-s]
English: toilet
(het) toilet = (de) wc
English: mirror
(de) spiegel[-s]
English: towel
(de) handdoek [-en]
Op een lagere plaats, op de begane grond in huis
Beneden (adv.)
E.g. Erik zit beneden televisie te kijken
Op een hogere plaats, een verdieping hoger
Boven (adv.)
E.g. Is er iemand boven?Ik hoor wat.
Warm maken
Verwarmen (verwarmde/hebben verwarmd)
E.g. Je kunt je een beetje verwarmen bij het vuur.
En geheel van apparaten dat zorgt voor warmte in een gebouw
(de) [centrale] verwarming
E.g. De verwarming is kapot, daarom is het hier zo koud.
Zorgen dat de verwarming meer/minder warmte geeft
Van deze tijd
Modern
E.g. Deze flat ziet er zeer modern uit.
English: Vase
(de) vaas [vazen]
English: curtain
(het) gordijn[-en]
English: mat
(de) mat[-ten]
English: Carpet
(het) tapijt[-en]
English: bed
(het) bed[-den]
In je bed gaan liggen om te slapen
seks hebben met iemand
English: pillow
(het) kussen[-s]
English: bedsheet
(het) laken[-s]
English: blanket
(de/het) deken[-s]
English: desk
(het) bureau
English: (natural) gas
(het) aardgas
English: electricity
(de) elektriciteit
De electriciteit is plots gestopt, er is geen elektriciteit meer
Een elektrisch apparaat werkt op elektriciteit
elektrisch
English: cabinet/cupboard
(de) kast[en]
English: box/container (made by cartoon)
(de) doos [dozen]
English: drawer
(de) lade[-n/-s] = (de) la [-s] = (de) kist[-en]
English : light
(het) licht
De lamp(en) aandoen/uitdoen
English: clock
(de) klok[-ken]
Geluid maken zodat je wakker wordt
Aflopen (liep af/is afgelopen)
E.g. Mijn wekker loopt elke dag om zeven uur af.
English: Photo
(de) foto[’s]
Een deel van de foto zijn
Een foto of een tekening op papier
(de) plaat [platen]
E.g. Er staan leuke plaatjes in dit boek.
English: Painting
(het) schilderij[-en]
Aangenaam en prettig, met een goede sfeer
Gezellig
E.g. Oma woont in een klein gezellig huisje.
Een aangename, prettige sfeer
(de) gezelligheid
E.g. Ik ga graag naar dat cafe voor de gezelligheid.
Aangenaam, erg gemakkelijk
Comfortabel
E.g. Ga maar lekker in deze fauteuil zitten, di is erg comfortabel.
Dat wat het leven gemakkelijker maakt
(het) comfort.
E.g. In dit hotel doen ze echt alles voor je. Wat een comfort!
Wat je gemakkelijk kunt doen of leren, simpel/zonder luxe, sober
English: simple
Eenvoudig
E.g. Zelf pizza maken is toch eenvoudig?/Ik zoek een eenvoudige studentenkamer.
Alles wat je doet om je huis schoon en netjes te houden
English: household
(het) huishouden
E.g. Hebben jullie een wekelijks budget voor het huishouden?
Je huis schoon en netjes maken (stofzuigen, afwassen, etc)
< (het) huishouden
E.g. Mijn man doet het huishouden.
Het regelen van het huishouden
(de) huishouding
E.g. Gezocht: hulp in de huishouding.
Een vrouw zonder baan die thuis het huishouden doet en voor de kinderen zorgt
(de) huisvrouw[-en]
E.g. Honderd jaar geleden waren de meeste vrouwen huisvrouw.
Een man zonder baan die thuis het huishouden doet en voor de kinderen zorgt
(de) huisman[-nen]
E.g. Er zijn niet zoveel mannen die huiman willen zijn.
Zorgen dat iets niet meer vuil is
Schoonmaken (maakte schoon/hebben schoongemaakt)
E.g. Kan iemand snel de tafel schoonmaken?
Nemen en er iets mee doen
Gebruiken (gebruikte/hebben gebruikt)
E.g.Hier, je kunt het best deze zeep gebruiken.
De keer dat je iets gebruikt
(het) gebruik
E.g. het gebruik van een creditcard is erg eenvoudig.
Gebruikt worden
< in gebruik zijn
E.g. Met die telefoon kun je niet bellen, hij is niet meer in gebruik.
Iets gebruiken, van iets genieten
gebruikmaken van (maakte gebruik van/hebben gebruikgemaakt van) E.g. Ik wil graag van uw aanbod gebruikmaken.
Wat nuttig is en makkelijk te gebruiken
Praktisch
E.g. We hebben een wasmachine die de was ook kan drogen. Dat is erg praktisch.
Een stuk stof
(de) doek[-en]
E.g. Met die oude doeken kun je alles schoonmaken.
Met je hand of een doek over iets bewegen om het schoon te maken
English: wipe off
Afvegen (veegde af/hebben afgeveegd)
E.g. Je moet je mond afvegen na het eten.
Met water schoonmaken
Wassen (waste/hebben gewassen)
E.g. Kom, we gaan de auto wassen.
Zorgen dat iets droog wordt /droog worden
Drogen (droogde/hebben (is) gedroogd)
E.g. Dit apparaat droogt uw was in ongeveer vijftig minuten (hebben gedroogd) / De natte handdoeken hangen buiten te drogen (is gedroogd).
De borden, glazen, vorken, en andere dingen waarmee je gegeten hebt, schoonmaken met water
Afwassen (waste af/hebben afgewassen)
E.g. Meteen na het eten gingen de kinderen afwassen.
< de afwas/vaat doen
E.g. Kasper helpt zijn moeder graag als ze de afwas doen.
De dingen die vuil zijn omdat je ermee gegeten hebt en die schoongemaakt moten worden
(de) afwas = (de) vaat
E.g. Kom je helpen? De afwas staat te wachten!
Heel veel spullen die door elkaar liggen zonder order
(de) rommel = (de) rotzooi = (de) troep
E.g. Er ligt veel rommel in de tuin.
Een markt waar je dingen kunt kopen die tweedehands zijn
< (de) rommelmarkt
E.g. Op zondagmiddag gaan we geregeld naar de rommelmarkt.
Niet schoon
vuil = vies
Hanna wast het kopje af omdat het vuil is.
Dingen die vuil zijn
(het) vuil
E.g. Er ligt veel vuil op het strand
De dingen die je weggooit, zoals blikjes, papier, etc
(het) afval = (de/het) vuilnis
E.g. Jongen, doen jullie al het afval in deze zak?
Kleine, droge deeltjes in de lucht of op digen die lang niet zijn schoongemaakt
English: dust
(het) stof
E.g. Er ligt veel stof op de kasten. Wanneer heb je voor het laatst schoongemaakt?
English: bucket
(de) emmer[-s]
Wat niet meer functioneert.
English: broken
Kapot = stuk
E.g De kraan is kapot, er komt geen water uit.
Iets wat kapot is weer in orde brengen
maken (maakte/hebben gemaakt) = herstellen (herstelde/hebben hersteld)
E.g. Mijn stofzuiger is kapot. Ik zoek iemand die hem kan maken.
Iets in de plaat doen komen van iets anders.
Vervangen (verving/hebben vervangen)
Ik moet die kapotte lamp vervangen.
Een mes dat goed snijdt, of iets wat een punt heeft waaraan je je pijn kan doen.
English: Sharp
Scherp
E.g. Deze naalden hebben scherpe punten.