Chapter 17-18 Flashcards
English: (the) system
(het) systeem[-temen]
English: (to) connect
aansluiten (op) [sloot aan/hebben aangesloten]
E.g . De technicus heeft de computers aangesloten op het internet.
English: (to) call
(op)bellen [belde/hebben gebeld] = telefoneren [tele
E.g Ik bel je morgen (op) om een afspraak te maken,
English: (the) telephone
(de) telefoon[-s]
E.g. Mark, de telefoon gaat. Neem jij op?
(er is telefoon)
E.g. Mama! Er is telefoon voor jou!
English: (the)phone message
een telefoontje = een belletje
E.g. We wachten op een telefoontje van de dokter. / Geef even een belletje als je hulp nodig hebt.
English: (the) mobile phone
(de) mobiele telefoon[-s] = (de) gsm[-‘s] = (het) mobieltje[-s]
English: (the) telephone number
(het) (telefoon)nummber[-s]
E.g. Mijn telefoonnummer heeft tien cijfers.
English: (to) dial a number
(een nummer kiezen)
E.g. Ik heb het verkeerde nummer gekozen.
English: (the) telephone booth
(de) telefooncel[-len]
E.g. In een telefooncel kun je met munten bellen.
English: (the) telephone card
(de) telefoonkaart[-en]
E.g. Deze telefoonkaart kost tien euro en ik kan er vijf uur mee bellen.
English: (the) telephone conversation
(het) telefoongesprek[-en]
E.g. Een internationaal telefoongesprek kost niet meer zo veel als 10 jaar geleden.
English: (the) telephone book
(het) telefoonboek[-en] = (de) telefoongids[-en]
E.g. Jan heeft een geheim nummer. Zijn nummer staat dus niet in het telefoonboek.
English: (the) telephone bill
(de) telefoonrekening[-en]
E.g. Anna heeft deze maand veel gebeld. Haar telefoonrekening is erg hoog.
English: (the) message
(het) bericht[-en] = (het) berichtje[-s] = (de) boodschap[-pen]
E.g. Ze is er niet. Zal ik een boodschap inspreken op haar antwoordapparaat?
(bericht krijgen)
E.g. We krijgen zojuist bericht dat er problemen zijn in de regering.
English: (to) record
inspreken [sprak in/hebben ingesproken]
E.g. Omdat hij niet thuis was, heb ik een boodschap ingesproken op zijn antwoordapparaat.
English: (the) answering machine
(het) antwoordapparaat[-raten]
E.g. “Dit is het antwoordapparaat van Emma. Laat een boodschap achter na de piep.”
English: (the) beep (sound)
(de) piep(toon)
E.g. “Laat een berichtje achter na de piep”
English: (the) fax
(de) fax[-en]
E.g. De fax staat naast de telefoon/Heb je die fax al gelezen?
(per fax/over de fax)
E.g. Ik stuur je de brief per post en per fax
English: (to) fax
faxen [faxte/hebben gefaxt]
E.g. Kunt u mij een kopie van de rekening faxen?
English: (the) dial tone
(de) kiestoon[-tonen]
E.g. Zodra je de kiestoon hoort, kun je het nummer kiezen.
English: (to) connect (with)
verbinden (met) [verbond/hebben verbonden]
E.g. Kunt u me verbinden met de directeur?
English: wrong number
(verkeerd verbonden)
E.g. Is dit niet het nummer van de heer Jansen? Sorry, dan ben ik verkeerd verbonden.
Iemand met iemand anders in contact brengen via de telefoon
English: (to) connect (you with)
Doorverbinden [verbond door/hebben doorverbonden]
E.g. Een moment alstublieft, dan verbind ik u door met de heer Van Wijk.
English: busy
Bezet = in gesprek
E.g. De lijn is bezet. Ik zal straks even terugbellen.
English: (the) line/connection
(de) lijn[-en]
E.g. Dit is een slechte lijn, ik hoor je niet goed.
(aan de lijn)
E.g. Wie heb ik aan de lijn? / Mam, ik heb oma aan de lijn. Wil je haar spreken?
English: reachable
bereikbaar
E.g. Vanmiddag heb ik een vergadering, en ben ik niet telefonisch bereikbaar.
English: international
internationaal
E.g. Internationaal bellen is duurder dan lokaal bellen.
(internationaal gesprek)
E.g. Op mijn telefoonrekening staan de internationale gesprekken apart.
Geluid maken (van telefoon)
Overgaan [ging over/is overgegaan]
E.g. De telefoon ging twee keer over en toen heb ik opgenomen,
Het contact via de telefoon doen stoppen.
English: (to) put down
Neerleggen [legde neer/hebben neergelegd]
E.g. Ik ga neerleggen. Ik moet weg.
De telefoon pakken en antwoord geven als er iemand belt.
English: (to) pick up/answer
Opnemen [nam op/hebben opgenomen] = beantwoorden [beantwoordde/hebben beantwoord]
E.g. Eva kan de telefoon niet opnemen. Ze is even weg.
English: (to) speak
spreken [sprak/hebben gesproken]
E.g. Hallo, met wie spreek ik?
English: (the) conversation
(het) gesprek[-ken]
E.g. Het gesprek met de directeur duurde een uur.
English: are talking/having a conversation
(in gesprek zijn)
E.g. Ik probeer Kim al de hele ochtend te bellen, maar ze is steeds in gesprek.
English: (the) tips/information
(de) inlichting[-en]
E.g. Voor inlichtingen over telefoonnummers kun je in Nederland bellen naar 1888.
English: (the) mailing list
(de) adressenlijst[-en]
E.g.Mijn adres staat nog niet in het adressenlijst.
English: (the) post
(de) post
E.g. Was er post vandaag? / Is de post vandaag al geweest?
(met de post/per post)
E.g. Is dit pakje met de post gekomen?
English: (the) post office
(het) postkantoor[-toren]
E.g. De postzegels zijn op. Ik ga even naar het postkantoor om nieuwe te kopen.
English: (the) letter
(de) brief [brieven]
E.g.Ik heb een lange brief aan tante Annie geschreven.
English: (the) love letter
(de liefdesbrief)
E.g. Ik stuur mijn vriend een liefdesbrief.
English: (to) write
schrijven [schreef/hebben geschreven]
E.g. Hoe schrijf je zijn naam? / Joost heeft voor school een opstel geschreven.
English: (to) writeback
terugschrijven [schreef terug/hebben teruggeschreven]
E.g. Ik probeer mensen altijd meteen terug te schrijven.
English: (the) envelope
(de) envelop(pe) [enveloppen]
English: (the) stamp
(de) postzegel[-s]
English: (the) postcode
(de) postcode[-s]
English: (the) package
(het) pakket[-ten]
E.g. Hoeveel weegt dit pakket?
English: (the) content
(de) inhoud
E.g. Wat is de inhoud van dit pakket? Boeken?
English: (the) address
(het) adres[-sen]
E.g. Heb je her adres op de enveloppe geschreven?
English: (the) postcard
(de) ansicht(kaart)[-en] = (de) prentbriefkaart[-en]
E.g. Ik stuur opa en oma een ansichtkaart uit Parijs.
De lange, smalle opening van een brievenbus
English: (the) slot
(de) gleuf [gleuven]
E.g. Deze grote envelop kan niet door de gleuf.
English: (to) answer/response
antwoorden [antwoordde/hebben geantwoord]
E.g. Wat leuk dat mijn neef uit Afrika me geschreven heeft. Ik zal hem snel antwoorden.
English: (the) answer
(het) antwoord[-en]
E.g. Wanneer kan ik antwoord mijn vraag verwachten?
English: (to) receive (an) answer
(antwoord krijgen)
E.g. Nathalie krijgt morgen antwoord of ze bij dat bedrijf wordt aangenomen.
English: (to) answer (something)/give response (to something)
beantwoorden [beantwoordde/hebben beantwoord]
E.g. Hij beantwoordde haar liefdesbrieven niet.
English: (to) send
(ver) sturen [verstuurde/hebben verstuurd//stuurde/hebben gestuurd] = opsturen [stuurde op/hebben opgestuurd] = (ver)zenden [verzond/hebben verzond//zond/hebben gezonden]
E.g. Ik lees de brief nog eenmaal na en dan verstuur ik hem. / Als ik op vakantie ben, stuur ik altijd ansichtkaarten naar familie en vrienden. / Heb je de brieven al opgestuurd. / Ik ga naar het postkantoor. Ik moet een pakje verzenden.
English: Dear
beste
E.g. Beste Daniel, hoe gaat het met je?
English: Dear (formal)
geachte
(geachte heer/mevrouw)
E.g. Geachte heer Smit, Geachte mevrouw De Jong, ….
English: Dearest
liefste
E.g. Liefste mama,
English: (to) greet
groeten [groette/hebben gegroet]
E.g. De minister groette iedereen hartelijk.
English: (the) greet
(de) groet[-en]
E.g. Met een vriendelijke groet kwam hij binnen.
hallo zegen, groeten in naam van iemand
English: give my regards
(de groeten doen)
E.g. Doe je vrouw de groeten van me.
Met deze woorden eindig je een brief, gevolgd door je naam (neutral)
English: sincerely yours
(met vriendelijke groet(en))
Met deze woorden eindig je een informele brief, gevolgd door je naam
(groetjes)
Met deze woorden eindig je een informeel brief aan iemand van wie je houdt
(veel) liefs
English: (the) radio
(de) radio[-‘s]
op de radio
E.g. Om tien uur is er een leuk programma op de radio.
English: (the) television
(de) televisie[-s] = )tv[-‘s]
op tv
E.g. Er komt vanavond een goede film op tv.
English: (the) programme (of tv/radio)
(het) programma[-‘s] = (de) uitzending[-en]
E.g. Hoe laat begint dat praatprogramma? / Na de uitzending is er reclame.
English: (the) influence
(de) invloed[-en]
E.g. Hoe groot is de invloed van de media op de mening van de mensen?
English: (to)affect
(invloed uitoefenen op) = beinvloeden [beinvloedde/hebben beinvloed]
E.g. Sommige commerciele televisieprogramma oefenen een slechte invloed uit op de jeugd.
English: (be) on
aanstaan [stond aan/hebben aangestaan]
E.g. De tv staat aan.
English: (the) news
(het) nieuws = (het) journaal[-s]
E.g. Op het nieuws zie je veel ellende en geweld.
English: (the) news item
(het) nieuwsbericht[-en]
E.g. Er zijn binnenlandse en buitenlandse nieuwsberichten op het journaal.
English: (the) weather forecast
(het) weerbericht[-en]
E.g. Het wordt mooi weer, hoorde ik op het weerbericht.
English: (the) subject
(het) onderwerp[-en]
E.g. Bepaalde onderwerpen worden niet behandeld in het jeugdjournaal.
English: (to) announce
bekendmaken [maakte bekend/hebben bekendgemaakt]
E.g. De tv-presentator Bart Peeters heeft bekendgemaakt dat hij een nieuw programma gaat presenteren.
English: (to) hear/find out
vernemen [vernam/hebben vernomen]
E.g. We hebben het nieuws van zijn dood via de radio vernomen.
Iets meedelen of bekendmaken aan mensen
English: (to) announce
aankondigen [kondigde aan/hebben aangekondigd]
E.g De nieuwslezer kondigt de nieuwsberichten aan.
English: (the) viewer
(de) kijker[-s]
Politieke programma’s trekken meestal niet veel kijkers.
English: (the) listener
(de) luisteraar[-s]
E.g. Dit radioprogramma heeft veel luisteraars.
English: (the) film/movie
(de) film[-s]
English: (the) advertisement
(de) reclame
English: (to) advertise
(reclame maken)
E.g. Op tv maken ze veel reclame voor wasmiddelen.
English: (the) documentary
(de) documentaire[-s]
E.g. Er is een documentaire over katten op tv.
English: (the) series
(de) serie[-s] = (de) reeks[-en]
E.g. Elke week kijken we naar die politieserie.
English: (the) cable television
(de) kabeltelevisie
E.g. De meeste mensen hebben kabeltelevisie.
English: (the) image
(het) beeld[-en]
E.g. Er is een probleem met de tv. Het beeld is erg vaag.
English: (to) install
instellen [stelde in/hebben ingesteld]
E.g. Weet jij hoe jij de dvd-speler moet instellen.
English: (the) compact disc
(de) cd[-‘s] = (de) compact disc[-s]
English: (the) video (cassette/recorder)
(de) video[-‘s]
English: (the) photo
(de) foto[-‘s]
English: (the) film roll
(de) film[-‘s]
Englishl: (the) press
(de) pers
E.g De pers heeft het laatste nieuws over het koningshuis.
English: (the) information
(de) informatie
E.g. In de bibliotheek kun je alle informatie vinden die je zoekt.
English: (the) newspaper
(de) krant[-en]
E.g. Ik lees de krant bij het ontbijt.
English: (the) magazine
(het) tijdschrift[-en]
E.g. Ilse kocht een paar tijdschriften voor ze in de trein stapte.
tijdschrift of krant
(het) blad[-en]
E.g. In dit reisblaad staan mooie foto’s van de Amsterdam
English: (the) volume/publication
(het) nummer[-s]
E.g. In het volgende nummer zal een reportage over de nieuwe wintermode staan.
English: (the) journalist
(de) journalist[-en]
E.g. Die journalist maakt interessante oorlogreportage.
English: exclusive/exclusively
exclusief
E.g. Marco Borsato gaf het interview exclusief voor dat tijdschrift.
English: (to) read
Lezen [las/hebben gelezen]
E.g. Jan leest elke avond nog even in bed.
English: (the) article
(het) artikel
English: (the) book
(het) boek[-en]
E.g. Mijn hobby’s? Ik lees graag boeken.
English: (the) novel
(de) roman[-s]
E.g heb jij de roman ‘Turks fruit’ gelezen?
English: (the) dictionary
(het) woordenboek[-en]
English: (the) title
(de) titel[-s]
English: (the) content
(de) inhoud
English: (the) page
(de) bladzijde[-n/-s] = (de) pagina[-‘s]
English: (the) text
(de) tekst[-en]
E.g. Waar gaat deze tekst over?
Een tekst met lijnen eromheen
(het) kader[-s]
E.g. In een apart kader stond nuttige reisinformatie.
Als onderdeel van, in verband met
English: As subject of
(in het kader van)
E.g. In het kader van zijn studie heeft hij een artikel geschreven over grammatica-onderwijs
English: (the) library
(de) bibliotheek[-theken]
de openbare bibliotheek
E.g. Iedereen mag de computer gebruiken in de openbare bibliotheek.
English: (to) copy
drukken [drukte/hebben gedrukt]
E.g. Hoeveel exemplaren zijn er van dit boek gedrukt?
English: (the) source
(de) bron[-nen]
E.g Belangrijke bronnen bevestigen het verhaal.
Een foto of tekening in een boek of tijdschrift
English: (the) illustration/picture
(het) plaatje
E.g. In dit kinderboek staan mooi plaatje.
English: (the) chapter
(het) deel [delen]
E.g. Deze reeks boeken bestaat uit vijf delen.
English: (the) series
(de) serie[-s] = (de) reeks[-en]
E.g. ‘Pietje Bell gaat vliegen’ is mijn favoriete boek uit de Pietje Bell-reeks.
klaar zijn om te verkopen (van een boek of tijdschrift)
English: (to be) out / come out (with)
verschijnen (verscheen/is verschenen) = uitkomen (kwam uit/is uitgekomen)
E.g. Wanneer verschijnt zijn nieuwste boek.
English: (the) writer
(de) schrijver[-s] (male) = (de) schrijfster[-s] (female)
English: (to) publish
uitgeven [gaf uit/hebben uitgegeven] = publiceren [publiceerde/hebben gepubliceerd]
E.g. Geeft Intertaal ook tijdschriften uit.=?
English: (the) publication
(de) publicatie[-s]
English: (the) critic/review
(de) kritiek[-en]
E.g. Het laatste boek van Connie Palmen heeft goede kritieken gekregen.
English: (the) data
(het) gegeven[-s] (meestal meervoud)
E.g. Op deze computer staan alle belangrijke gegevens.
English: (to) input
invoeren [voerde in/hebben ingevoerd]
E.g. De secretaresse voert de gegevens van de nieuwe medewerkers in.
English: (the) computer
(de) computer[-s]
achter/aan de computer
E.g. Zit je nog steeds achter de computer te werken?
English: (the) letter
(de) letter[-s]
E.g. De achternaam ‘Berends’ begint met de letter b.
English: (the) sign
(het) teken[-s]
E.g. Waar staat het vraagteken op het toetsenbord?
English: (the) keys
(de) toets
E.g. Met welke toets kan ik een punt zetten?
English: (the) (computer) programme
(het) (computer) programma[-‘s]
E.g. Ik ziek een goedkoop computerprogramma waarmee ik muziek kan maken.
Het gebruik in een bepaalde situatie, het gebruik in de praktijk/Een of meer computerprogramma’s die een bepaalde taak uitvoeren
English: (the) application
(de) toepassing[-en]
E.g. Dit programma heeft handige toepassingen. Zo zet het alle gegevens automatisch op alfabet. / Met deze toepassing kun je makkelijk spelfouten opzoeken in je tekst.
Bij een situatie horen/in de situatie passen
English: applicable/apply
(van toepassing zijn)
E.g. Als u werkloos bent, is deze vraag niet van toepassing.
English: (the) manual
(de) handleiding[-en]
E.g. Zit er een handleiding bij de printer? Ik weet niet hoe ik er nieuwe inkt in moet doen.
English: (the) email
(de) e-mail[-s]
English: (to) compose/send an email
e-mailen [e-mailde/hebben ge-e-maild]
E.g. Je hoeft me niet te bellen. Je mag ook e-mailen.
English: (the) internet
(het) internet
English: ( the) website
(de) website[-s]
English: (the) transportation
(het) vervoer
E.g. Het vervoer over water gebeurt met grote schepen.
English: (the) public transportation
(het) openbaar vervoer
E.g. Vandaag gaan we met het openbaar vervoer.
English: with
per
E.g. We gaan per trein naar Maastricht
English: (the) bus
(de) bus[-sen]
met de bus
E.g. De kinderen gaat met de bus naar school.
English: (the) tram
(de) tram[-s]
E.g. In het centrum van Amsterdam rijden veel trams.
English: (the) line
(de) lijn[-en]
E.g. Welke lijn moet ik nemen?
(de) lijnbus
(de) lijn 2
English: (the) bus driver
(de) buschauffeur[-s]
English: (the) stop
(de) halte[-s/-n]
(de) bushalte
E.g. Xander staat bij de bushalte op de bus te wachten.
English: (the) taxi
(de) taxi[-‘s]
English: (to) step in(to)
instappen [stapte in/hebben ingestapt]
E.g. We moesten wachten tot de oude man was ingestapt.
English: (to) step out
uitstappen [stapte uit/is uitgestapt]
E.g. Bij deze halte moeten we uitstappen.
English: (to) miss
missen [miste/hebben gemist]
E.g. Bert en Anne waren te laat en miste de bus.
English: (the) row/queue
(de) rij[-en]
E.g. Er staat een lange rij mensen bij de bushalte.
(in de rij staan)
E.g. ik sta niet graag in de rij om een kaartje te kopen.
English: (to) ride
rijden [reed/hebben(is) gereden]
E.g. De auto reed heel langzaam/We reden naar het station om opa op te halen./ Wij reden op de fiets door het park.
English: (to) continue driving
doorrijden [reed door/hebben(is)doorgereden]
E.g. Na de botsing reed hij gewoon door/Rij door!we hebben geen tijd!
English: (to) arrive
aankomen [kwam aan/is aangekomen]
English: (the) arrival
(de) aankomst
English: (to) depart
vertrekken [vertrok/is vertrokken]
English: (the) departure
(het) vertrek
English: (to) stop
stoppen [stopte/is gestopt]
English: via/through
via
E.g. De trein rijdt via Rosendaal naar Amsterdam.
English: (the) ticket
(het) kaartje[-s]
English: (the) ticket strips
(de) strippenkaart[-en]
English: (the) strip
(de) strip[-pen]
English: (the) zone
(de) zone[-s]
English: (to) stamp (the ticket)
afstempelen [stempelde af/hebben afgestempeld]
E.g. Ik liet mijn strippenkaart in de tram afstempelen.
English: one-way (trip)
(het) enkeltje[-s] = (de) enkele reis
English: return (trip)
(het) retour[-s]
English: back and forth/to and from
op en neer = heen en weer = heen en terug
E.g. Willem reist voor zijn werk elke dag op en neer van Rotterdam naar Tilburg.
English: (the) traveler
(de) reiziger[-s] (male) / (de) reizigster[-s] (female)
E.g. De reizigers moesten hun kaartje aan de buschauffeur tonen voor ze instapten.
English: (the) class
(de) klas(s)e [klassen]
E.g. In welke klasse wilt u reizen?
(eerste klas(s)e)
(tweede klas(s)e)
English: (the) train
(de) trein[-en]
met de trein
E.g. We gaan met de trein naar Den Haag.
English: (the) station
(het) station
op het station
E.g. Op het station kun je de treinkaartjes kopen
English: (the) platform
(het) perron[-s]
English: (the) track
(het) spoor [sporen]
English: (the) conductor
(de) conducteur[-s] (male)/(de) conductrice[-s] (female)
English: (the) airplane
(het) vliegtuig[-en]
E.g. Het vliegtuig vloog over de bergen.
English: (to) fly
vliegen [vloog/hebben(is) gevlogen]
E.g. We zijn in New York gevlogen.
English: (the) flight attendant
(de) steward[-s] (male)/(de) stewardess[-en] (female)
English: (the) baggage
(de) bagage
English: (the) boat/ship
(de) boot [boten] = (het) schip [schepen]
English: (the) port/habor
(de) haven[-s]
English: on board
aan boord
E.g. Er zijn veel mensen aan boord.
(aan boord gaan)
E.g. Als we snel aan boord gaan, kunnen we vertrekken.
English: (to) sail
varen [voer/hebben(is) gevaren]
E.g. Columbus is in 1492 naar Amerika gevaren.
English: (the) captain
(de) kapitein[-s]
English: (the) sailor
(de) matroos[-trozen]
Een kamertje waar je slaap op een boot
English: (the) cabin
(de) hut[-ten]
English: (the) bike
(de) fiets[-en]
English: (to) bike
fietsen [fietste/hebben(is)gefietst]
English: (the) moped
(de) bromfiets[-en] = (de) brommer[-s]
English: (to) start (the engine)
starten [startte/hebben(is) gestart]
E.g. Start de auto maar. We vertrekken.
English: (to) ride (an automobile/car)
autorijden [reed auto/hebben autogereden]
E.g. Kun je eigenlijk al autorijden?
English: (the) car
(de) auto[-‘s] = (de) wagen[-s]
met de auto
E.g. We gaan met de auto naar de stad.
English: (the) caravan
(de) caravan[-s]
English: (the) truck
(de) vrachtwagen[-s]
English: (to) ride along with
meerijden [reed mee/is meegereden]
E.g. Als je wilt, kun je met ons meerijden.
English: (to) pick up/collect
ophalen [haalde op/hebben opgehaald]
E.g. Mijn moeder komt me ophalen van het station.
De keer dat je meerijdt in een auto van iemand anders
(de) lift[-s]
E.g. Kan ik je een lift geven?
English: (the) traffic
(het) verkeer
‘s Nachts is er niet veel verkeer op straat.
English: (the) traffic jam
(de) file[-s]
E.g. Er zijn veel files omdat er te veel auto’s zijn.
(in de file staan)
E.g. Elke ochtend sta ik in de file.
English: (the) bridge
(de) brug[-gen]
English: (the) street
(de) straat [straten]
op straat
E.g. In de zomer spelen de kinderen op straat.
English: (the) side street
(de) zijstraat[-straten]
E.g. De Dorpsstraat ken je? Nou, ik woon in een zijstraatje van de Dorpsstraat.
English: narrow
smal
English: wide
breed
English: corner
(de) hoek[-en]
E.g. De apotheek is op de hoek van de straat.
(om de hoek) - around the corner
E.g. Het station is hier om de hoek.
English: (to) point out/show
aanwijzen [wees aan/hebben aangewezen]
E.g. Kun je op deze plattegrond even aanwijzen waar we precies zijn?
English: (the) road
(de) weg[-en]
E.g. Door de regen is het glad op de weg. / Kun je me de weg naar het postkantoor wijzen?
(de weg vragen)
E.g. Als je niet weet hoe je moet rijden, moet je de weg vragen.
(de weg wijzen)
E.g. Een mevrouw wees ons de weg naar het station.
(op weg naar)
E.g. Ik ben op weg naar de winkel.
English: slow
langzaam = traag
English: fast
snel = vlug
English: safe
veilig
English: safety
(de) veiligheid
English: (to) prevent
voorkomen [voorkwam/hebben voorkomen]
E.g. Voorzichtig rijden kan veel ongelukken voorkomen.
English: (the) accident
(het) ongeluk[-ken]
English: (to) happen
gebeuren [gebeurde/is gebeurd]
E.g. Hoe is het ongeluk precies gebeurd?
Een hard geluid
(de) klap[-pen]
E.g. Met een enorme klap botste de auto tegen de bus.
English: (the) garage
(de) garage[-s]
E.g. We moeten de auto naar de garage brengen om de uitlaat te laten herstellen. / ‘s Avonds zet vader de auto in de garage.
English: broken
kapot = stuk
English: (the) bad luck
(de) pech
E.g. Het examen ging niet goed. Wat een pech! / Linda stond met pech langs de weg.
English: (to) fill the gasoline/gas
tanken [tankte/hebben getankt]
E.g. Wij moeten snel tanken voordat de benzine op is.
English: (the) gas
(het) gas[-sen]
English: (to) accelerate
(gas geven)
E.g. Waarom rijden we zo langzaam? Geef eens wat gas!
English: (the) gasoline
(de) benzine
English: (to) park
parkeren [parkeerde/hebben geparkeerd]
E.g. Manuela parkeerde de auto dicht bij de winkel.
English: (the) parking lot
(de) parkeergarage[-s]
English: right/left
rechts/links
E.g. Een auto die van rechts komt, heeft voorrang. / Links ziet u de kerk.
English: to the right/to the left
rechtsaf/linksaf
E.g. Als je hier rechtsaf gaat, kom je bij de brug. / We moeten hier linksaf en dan zijn we er.
English: (the) lane/driveway
(de) baan [banen]
E.g. Je moet zoveel mogelijk op de rechtersbaan blijven.
English: (to) ride back
terugrijden [reed terug/is teruggereden]
English: (to) turn around
keren [keerde/hebben(is) gekeerd]
E.g. Flip wilde zijn auto keren in die smalle straat. (heeft gekeerd) / De vrachtwagen kon niet keren in dat straatje. (in gekeerd).
English: (the) freeway
(de) autoweg[-en]
English: (the) stroll
(de) wandeling[-en]
E.g. Mary was moe van de lange wandeling door de stad.
English: (to) overpass
oversteken [stak over/hebben(is) overgestoken]
E.g. Als er geen auto komt, kun je oversteken.
English: (the) pole
(de) paal [palen]
E.g. Het verkeersbord is vastgemaakt aan een paal.
English: (the) intersections
(het) kruispunt[-en]
English: (the) route
(de) weg[en]
English: (the) direction
(de) richting[-en]
E.g. We rijden in de verkeerde richting. We moeten terug.
English: (to) indicate the direction (of)
(de richting aangeven)
E.g. Fietsers moeten met hun hand de richting aangeven als ze afslaan.
English: backwards/forward
achteruit/vooruit
E.g. Steven reed de auto achteruit de garage in./ Met een fiets kun je alleen maar vooruit rijden.