1.5 Flashcards
1
Q
handelen
A
agir
2
Q
gaan om
A
s’agir de
3
Q
leren
A
apprendre
4
Q
gaan zitten
A
s’asseoir
5
Q
oud, voormalig
A
ancien
6
Q
veel
A
beaucoup
7
Q
een arm
A
un bras
8
Q
veranderen
A
changer
9
Q
zich omkleden
A
se changer
10
Q
een leider
A
un(e) chef
11
Q
een hart
A
un coeur
12
Q
een raad
A
un conseil
13
Q
voorzetten
A
continuer
14
Q
doorgaan met
A
continuer à
15
Q
beslissen
A
décider
16
Q
beslissen om
A
se décider à
17
Q
de twijfel
A
le doute
18
Q
een effect
A
un effet
19
Q
een euro
A
un euro
20
Q
een zijde
A
une face
21
Q
een film
A
un film
22
Q
een zoon
A
un fils
23
Q
bewaren, bij zich houden
A
garder
24
Q
bewaard worden
A
se garder
25
een regering
un gouvernement
26
dik
gros
27
het spel
le jeu
28
lezen
lire
29
een boek
un livre
30
eten
manger
31
te voet gaan
marcher
32
een minuut
une minute
33
verhogen, instappen, opstarten, in elkaar zetten
monter
34
nationaal
national
35
zwart
noir
36
bezighouden, bezetten
occuper
37
zich bezighouden met
s'occuper de
38
verschijnen
paraitre
39
betalen
payer
40
het leed, de moeite
la peine
41
bevallen, behagen
plaire à
42
heerlijk vinden
se plaire
43
eerder
plutôt
44
neerleggen
poser
45
zich voordoen
se poser
46
nochtants
pourtant
47
verlaten
quitter
48
terugbellen, terugroepen
rappeler
49
zich herinneren
se rappeler
50
bedienen, dienen
servir
51
gebruikmaken van
se servir
52
alleen maar, enkels
seulement
53
vaak
souvent
54
een voorzetting
une suite
55
vooral
surtout
56
een toon
un ton
57
draaien
tourner
58
zich omdraaien
se tourner
59
een gezicht
un visage