Vocabulary - Part 16 Flashcards
Everything
Alles
How are you doing
Hoe gaat het met je / u ?
It is going good
Met mij gaat het heel goed. En met je ? (or) Alles gaat goed met mij. En met je ?
Not good
Niet zo goed / Slect / Heel slect
How is your mother
Hoe gaat het met je moeder ?
All good with my mother
Met mij moeder gaat het goed;
Alles gaat goed met mijn moeder
Dear madam, how are you
Dag Mevrouw, hoe gaat het met u ?
Response:
Dag Mevrouw,, Het gaat heel goed met mij. Dank U. En hoe gaat het met U ?
What do you mean
Wat bedoel je / bedoelt u ?
What does that mean ?
Wat betekent dat ?
Watch out (like dangerous situation)
Let Op! or Pas Op!
Let it go
Laat maar gaan
I find it terrible
Ik vind het erg
To stay over (at house or hotel)
Logeren
Sister
Zus
Sisters
Zussen
Cousins
Neef / Nichten
Approximately
Ongeveer
as old
Even oud
Living together
Samen woonen
Things
Dingen
Look similar / look alike
Lijken opelkaar
Thankfully
gelukkig
Same
Dezelfde
Ofcourse / Obviously
Natuurlijk
Walking
Wandelen
To play tennis
Tennisen
May be / Perhaps
Misschien
called
Het
Whole
Heel
to meet
Ontmoeten
I am meeting my grandpa
Ik ga mijn opa ontmoeten
It is your turn
Je bent aan de beurt
Whose turn is it ?
Wie is aan de beurt ?
birthday
Verjaardag
An year older
Jarig
Being busy
Druk hebben
I am very busy today
Ik heb het druk vandaag
I am very active
Ik ben druk
Typical
Typisch
Druk cannot be used with
formats of Zijn (ben, bent, zijn)
Later / soon
Straks
Until later
Tot straks
Until tomorrow
Tot morgen
Until tuesday
Tot dinsdag
Tasty
Heerlijk
Pleasant welcome
Heerlijk welkom
Things
Spullen
strawberry
Aardbei
to tidy up
opriumen
at the end / finally
Tenslotte
to make it ready
Klaarmaken
The dinner
Avondeten
Movie theater
Bioscoop
Isnt it ? Is that right ? Right ?
Toch
Finally
eindelijk
Have found
Gevonden
Mashed potatoes
Boerenkool Stamppot
Kale
Kool
Potatoes
Aardappelen
Carrots
Wortel
Smoked sausages
Rook worst
Apple sauce
Appel moes
True
Echt