De Grammatica - Part 1 Flashcards
Personal Pronouns
Persoonlijke voornaam woorden
I
Ik
You (unstressed, informal)
Je
You (Stressed, informal, pointing to someone)
Jij
You (formal)
U
He
Hij
She
Ze / Zij
It
Het
We
Wij / We
They
Ze / Zij
You all
Jullie
I am
Ik ben
You are (informal)
Je + bent
You are (stressed)
Jij + bent
You are (formal)
U + bent
He is
Hij + is
She is
Zij / Ze + is
It is
Het + is
We are
Wij + Zijn
They are
Ze + Zijn
You all are
Jullie + Zijn
I am a student
Ik ben een student
He is the teacher
Hij is de docent
She is the dentist
Zij is de tandarts
We are students
Wij zijn studenten
They are tired
Ze zijn moe
You are a football player
Je bent een voetballer
You are a football player, Ronaldo
Jij bent een vortballer Ronaldo
You are Ms. Jansen
U bent Mevrouw Jansen
Amy is tall
Amy is lang
It is a car
Het is een auto
The house is big
Het huis is groot
We are the students
Wij zijn de studenten
Possessive pronouns
Bezittelijke Voornaam woorden
My
Mijn
His
Zijn (when at beginning of sentence, 99% it will be “his”)
Her
Haar
Hair
Haar
Our
Ons / Onze
Their
Hun
Helping verbs / Irregular verbs / Strong verbs
To be verbs –> Hebben and Zijn
Weak verbs
Add “ed”
I have
Ik heb
You have
Je + hebt; Jij + hebt; U + hebt/heeft
He has
Hij + Heeft
She has
Zij + heeft
It has
Het + heeft
We have
Wij + hebben
They have
Ze / Zij + hebben
You all have
Jullie + hebben
I have a cat
Ik heb een kat
She is grey and big
Zij is grijs en groot
My neighbour has 2 cars
Mijn buurman heeft 2 auto’s
You all have a job
Jullie hebben een baan