De Grammatica - Part 3 Flashcards
Short Vowels ?
a, e, i , o, u, y
Long vowels ?
aa, ee, ii, oo, uu, y
If vowel (v) + Constance (c) + vowel are in infinitive form, then ?
First vowel gets doubled, in the root (stam) word
Lopen (C+V+C+V+C)
Loop / Loopt / Lopen
Nemen
Neem / Neemt / Nemen
Koken
Kook / Kookt / Koken
To break
Breek / Breekt / Breken
To live
Woon / Woont / Wonen
Exceptions for double vowel in root word
Komen (Kom / Komt / Komen)
Gaan (Ga / Gaat/ Gaan)
Stam verb cannot end with
double constonance
Stoppen –> Make root word
Stop / Stopt/ Stoppen
Bcz double constance in root word not allowed
Zitt
Zit / Zit / Zitten
Rood verb cannot end with V or Z
V becomes F and Z becomes S
Schrijven
Schrif / Schrift / Schrifen
Kiezen
Kies / Kiest / Kiezen
Leven
Leef / Leeft / Leven
I live healthy
Ik Leef gezhond (common way of saying in dutch)
Whenever there is specific direction, use ?
Naar
Specific verbs that must have Naar
Gaan, Komen, Luisteren, Kijken, Lopen
We are watching television
Wie kijken naar de televisie
He listens to music
Hij luistert naar de muziek
Have a look
Kijk maar
Bigger verbs
Double the next vowel (not first vowel)
Studeren
Studeeren
Peter and Maya are walking to the park
Peter en Maya lopen naar het park
I go with my bike to school
Ik ga met mijn fiets naar school
You cook delicious pasta
Jij kookt lekkere pasta
He writes new words in his notebook
Hij schrift neeuw woorden in zijn dagboek
They are playing against PSV
Ze spelen tegen PSV
She takes the bus from the bus stop near Hema
Ze neemt het bus van de bus halte dichbij Hema
We are drinking a glass of beer with our friends
Wij drinken een glas bier met onze vrienden
My father is listening to hard rock music
Mijn vader luistert naar hard rock muziek
He comes home at 5 PM from his work
Hij komt huis om 17 uur van zijn werk
Their uncle lives in England with their aunt
Hun oom woont in Engeland met hun tante
Interrogatives
Vraag Zinnen
To make interrogatives
Apply inversion (switching subject and verb)
She is the dentist
Ze is the tandaarts
Is she the dentist ?
Is ze de tandaarts ?
I am the student
Make inversion in dutch
Ben Ik de docent ?
You are the student
Bent U de docent ?
We are the students
Zin wij de docenten ?
Je / Jij bent de docent
Make inversion now
Ben Je/Jij de docent ?
t should not be there, in inversions, only for je/jij
Je / Jij hebt een boek
Make inversion
heb Je / Jij een boek ?
“T” is not included in the verb
Jij woont in Brussels
Woon Jij in Brussels ?
Je Luistert naar de radio
Luister Je naar radio ?
Do you drink cola ?
Drinkt U cola?
Start your question directly. no need of “do you” in dutch
Do you drive a car ?
Rijdt I een auto?
WH (interrogative words)
Wat
Wanneer
Wie
Hoe
Waarom
Welke / Welk
Waar
Make sentences in each of the WH words
Wat
Wanneer
Wie
Hoe
Waarom
Welke / Welk
Waar
Make sentences in each of the WH words (Round 2)
Wat
Wanneer
Wie
Hoe
Waarom
Welke / Welk
Waar
Make sentences in each of the WH words (Round 3)
Wat
Wanneer
Wie
Hoe
Waarom
Welke / Welk
Waar