Vocabulary - Part 2 Flashcards
Vocabulary
Woordenlijst
The student
De cursist / de student
The teacher (gender neutral)
De Leraar
The female teacher
De lerares
The young teacher / the miss
De Juffrouw
The master
De meester
The house
Het huis
The garden
De tuin
Tired
Moe
To choose / select
Kiezen
Student / teacher (contextually)
Leert
To learn
Leren
Dutch
Nederlands
Greetings
Groeten
Hello / Hi
Hallo / Hoi
Hello / Bye
Dag
Good bye
Tot Ziens
Good evening
Goedenavond
Good morning
Goedemorgen
Good afternoon
Goedemiddag
Good night
Goedenact
Sir
Meneer
Your (informal)
Jouw
Your (formal)
Uw
The row
Het rijtje
Row house
Rijteshuis
What is your name (dutch way)
Hoe heet je
What is your name (active way)
Wat is Jij naam ?
Nationality
Nationalitiet
The city
De stad
Near by
Dicthbij / Vlakbij
Fixed
Vaste
Since
Sinds
Mobile
Mobiel
Friendly
Aardig
Intelligent
Slim
Old
Oud
Small
Klein
Red
Rood
Father
Vader
Mother
Moeder
Daugther
Dochter
GP
Dokter
Grey
Grijs
Job
Baan
The summer
De Zomer
The autumn / fall
De herfst
The winter
De winter
The spring
De Lente
Paris
Parijs