Vocabulary - Part 15 Flashcards
The rain
De Regen
The pumpkin
De pompoen
The autumn
De Herfst
The nuts
De eikel
The leaf
Het blad
The chestnut
De Kastanje
Mushroom
De paddestoel
Glove
De handschoen
Autumn air
Herfstlucht
Boots
De laars
Wollen cap
De muts
Thick fog
Dikke mist
To blow (windy)
Waaien
To pluck
Plukken
Umbrella
Paraplu
Have to / Has to / Must
Moten
Need / requirement
Nodig
A small list
Listje
No where
Nergens
Even
No meaning, but making sentence more politer
Left
Links
Right
Rechts
Believe / Belief
Geloof (Noun)
To get / To grab / to pick
Halen
To pay
Betalen
Yet anything
Nogiets
Difference
Verschil
Cheap
Goedkoop
Please
Alsjeblieft
The receipt
De bon
Go ahead
Gaat uwgang
Similar / same to you / wish you the same
Het zelfde
Fresh
Verse (only for perishable items)
Fresh air
Frisse Lucht
When to add S to make plural
Words ending with EL, EM, EB, ER, Je, We
words ending with vowels
add ‘s (ex: Auto’s)
Words ending with suffix US
US will change to I.
Politicus
Politici
Catalogus
Catalogi
Words ending with S and F
Z and V
Huis Plural ?
Huizen
Bedrijf
Bedriven
Olijf
Olijven
The traffic jam
De file
The traffic
Het Verkeer
De bushalte
Bus stop
Station
Het station
Pedestrian
De Voetganger
The pavement
De stoep
Bike lane
Het Fietspad
Truck
De vrachtwagen
The left side
De linkerkant
The right side
De rechterkant
Zebra lines
Her Zebrapad
traffic light
Het verkeerskicht
Pedestrian light
Het Voetgangerslicht