Latijn Flashcards
a(b) + abl
- van (weg) 2. door
abire
weggaan
acer
agressief
ad + acc
naar
accipere, accepi
krijgen
alligare
vastbinden
amicus
vriend
audire
luisteren (naar), horen
autem
maar, echter
(se) avertere, averti
(zich) omdraaien
canis, canis
hond
catena
ketting
cibus
voedsel
circum + acc
(rond) om
clamare
roepen
collum
nek
corpus, corporis N
lichaam
currere
rennen
custodire
bewaken
cum + abl
(samen) met
cur?
Waarom?
detritus
kaalgeschuurd
dominus
heer, meester
de + abl
(vertellen) over
dormire
slapen
dum
terwijl
enim
want
facere, feci
maken, doen
facilis
gemakkelijk
fames
honger
fur
dief
gravis
zwaar
habere, habui
hebben, (vast)houden
hic, haec, hoc
dit, deze
homo, hominis
man, mens
hortus
tuin
ideo
daarom
igitur
dus
incedere
(verder) lopen
interdiu
overdag
interrogare
(onder)vragen
is, ea, id
- hij, zij, het 2. die, dat
iubere
bevelen, opdragen
liber
vrij
lupus
wolf
mordere
bijten
mox
snel, binnenkort
narrare
vertellen
nox, noctis
nacht
officium
taak, werk
par + dat
vergelijkbaar met
pinguis
vet, dik
placidus
rustig, kalm
poeta
dichter
posse, potui
kunnen
praestat
het is beter
praestare (officium)
verrichten, doen
promittere, promisi
beloven
protegere a
beschermen tegen
putare
denken, vinden
quidam, quaedam
een (of ander)
quia
omdat
qui?
Welke?
quis?
Wie?
quoque
ook
relinquere, reliqui
overlaten
resalutare
teruggroeten
saepe
vaak
salve!
Gegroet! Hoi!
si
als
sic
zo, op die manier
statim
meteen
suus
zijn, haar, hun
tam
zo
tunc
dan, toen
tuus
jouw
unde?
Waarvandaan?
vexare
kwellen
videre, vidi
zien
velle, volui
willen
vita
leven