Dutch List . 11 Flashcards
aankomen
arrive to
aankomst de
arrival the
aanvragen
apply for to
af en toe
now and then
akkoord het
agreement the
alinea de
paragraph the
bankrekening de
bank account the
bestaan
exist to
bestuurder de
driver the
bezoeken
visit to
boot de
boat the
bord het (informatiebord)
(information) board the
chauffeur de
driver the
chocola de
chocolate the
conducteur de
conductor the / guard the
controleren
check to
dames de
lady the
deden (doen)
did (do to)
digitaal
digitally
donker
dark
eeuw de
century the
extra
extra
gebouw het
building the
gegevens de
data the / details the
geldig
valid
geschiedenis de
history the
ging (gaan)
went (go to)
heer de / Geachte heer
sir / Dear Sir
herhalen
repeat to
hoeven
do not need to / do not have to
inchecken
check in to
instappen
board to / get in to
instructie de
instruction the
intercity de
intercity (train) the
invullen
fill in to
jazeker
absolutely / yes
kinderwagen de
pram the
klikken
click to
klomp de
clog the / wooden shoe the
klussen
do odd jobs to
langzaam
slowly
leeg
empty
licht (niet donker)
light (not dark)
liggen
be to / be located to
lijken
resemble to
miljoen het
million the
molen de
mill the / windmill the
naderen
approach to
omroepbericht het
announcement the
onderweg
on the way / en route
ongeveer
about / roughly
opdracht de
assignment the
openbaar (openbaar vervoer)
public (public transport)
opschieten
hurry (up) to
opschrijven
write down to
opzoeken
look up to
ov-chipkaart de
public transport chip card the
overstappen
change to
perron het
platform the
persoonlijk
personal
plannen (een reis plannen)
plan to (to plan a trip)
prettig
nice / pleasant
proeven
taste to
reistijd de
travel time the / journey time the
reizen
travel to
reiziger de
traveller the
richting de
direction the
rivier de
river the
route de
route the
schilderen
paint to
snoep het
sweets the
spoor het (De trein vertrekt van spoor 8.)
track the / rails the / platform the (The train leaves from Platform 8)
sprinter de
sprinter the
spullen de
belongings the
stap de
step the
titel de
title the
tram de
tram the
uitchecken
check out to
uitstappen
get off to
uitzoeken
sort out to
varen
sail to
verplicht
compulsory / obligatory
vertraging de
delay the
volwassene de
adult the