duits woorden alle Flashcards
1
Q
betriebsferien
A
bedrijfsvakantie
2
Q
Gemäß
A
overeenkomstig of volgens
3
Q
erlauben
A
toestaan of toelaten
4
Q
derzeitigen
A
huidige of momentane
5
Q
gewahren
A
verlenen of toestaan.
6
Q
treten
A
stappen, trappen, of binnentreden
7
Q
wahrnehmen
A
waarnemen of opmerken
8
Q
anfrage
A
aanvraag.
9
Q
erteilen
A
geven
10
Q
nachstehenden
A
onderstaande of hieronder vermelde.
11
Q
leistung
A
prestatie
12
Q
Gemäß
A
overeenkomstig of volgens
13
Q
anliegend
A
bijlage
14
Q
vorubergehend
A
tijdelijk of voorbijgaand
15
Q
Ähnlich
A
vergelijkbaar of soortgelijk.
16
Q
erhalt
A
ontvangst of behoud
17
Q
ersatz
A
vervanging of alternatief.
18
Q
lage
A
situatie, ligging, of positie
19
Q
Fachgeschäft
A
speciaalzaak of speciaalwinkel.
20
Q
erwartungen
A
verwachtingen
21
Q
erkundigen
A
informeren
22
Q
empfehlung
A
aanbeveling of advies.
23
Q
vornehmen
A
uitvoeren , doen