duits oefen toets aufgabe 3 Flashcards
1
Q
detaillierte
A
gedetailleerde
2
Q
jahresende
A
einde van het jaar
3
Q
angaben
A
gegevens
4
Q
wachsende
A
toegenomen
5
Q
zahl
A
getal
6
Q
stammkunden
A
vaste klant
7
Q
Verstärkt
A
versterkt
8
Q
vereinbart
A
overeengekomen
9
Q
Früheren
A
vroegere
10
Q
Gebührenfrei
A
gratis , kostenloos
11
Q
Blick
A
kijk
12
Q
werfen
A
gooien
13
Q
belegt
A
bewijzen , bespreken
14
Q
Erschöpft
A
kapot , uitgeput
15
Q
voraussichtlich
A
waarschijnlijk
16
Q
Vorübergehend
A
tijdelijk
17
Q
letzten
A
laatste
18
Q
unerwartet
A
onverwacht
19
Q
starke
A
sterke
20
Q
letzen
A
laatste
21
Q
ausgegangen
A
uitgaan , uit eten gaan
22
Q
abgemacht
A
afgesproken
23
Q
anliegend
A
bijlage
24
Q
ausgebracht
A
uitbrengen
25
Q
geplant
A
gepland
26
Q
Gültig
A
geldig
27
Q
steigend
A
stijgend
28
Q
zeitweilig
A
tijdelijk
29
Q
zusagt
A
bevestigen
30
Q
ersatz
A
vervanging
31
Q
erhalt
A
ontvangst
32
Q
jederzeit
A
ten alle tijden