duits oefen toets alle woorden meeste oefening 4 Flashcards
1
Q
Derzeitigen
A
huidige , momenteel
2
Q
vornehmen
A
ondernemen, of uitvoeren , iets gaan doen
3
Q
erteilen
A
geven
4
Q
erfolgen
A
gebeuren
5
Q
bitte
A
graag
6
Q
Angaben
A
gegevens
7
Q
befristet
A
tijdelijk
8
Q
wachsende
A
teogenomen
9
Q
früheren
A
vroegere , oud- , ex ( bv speler )
10
Q
Einbau
A
inbouw , installatie
11
Q
beigefügt
A
bijgevoegd
12
Q
belegt
A
bespreken , bewijzen
13
Q
teilen
A
verdelen
14
Q
vorübergehend
A
tijdelijk
15
Q
ausgegangen
A
uit eten gaan
16
Q
ausgebucht
A
volgeboekt
17
Q
anliegend
A
bijlage
18
Q
zeitweilig
A
tijdelijk
19
Q
bestätigen
A
bevestigen
20
Q
leider
A
helaas , jammergenoeg
21
Q
dürften
A
mochten
22
Q
versandfertig
A
klaar voor verzending
23
Q
Auftrag
A
bestelling
24
Q
ähnlich
A
zoals , soortgelijk
25
Q
Bedingungen
A
“voorwaarden” of “condities.”
26
Q
Erhalt
A
ontvangst
27
Q
Ersatz
A
vervanging
28
Q
fall
A
geval,” “situatie,”
29
Q
lage
A
“situatie,” “ligging,” of “positie,
29
Q
zusagt
A
bevestigd.
30
Q
A