Chapter 9 Flashcards
Ga je mee?
Adult
De volwassene/ de volwassenen
Go straight
Ga rechtdoor
Go straight until the bus stop
Ga rechtdoor tot aan de bushalte
Go left
Ga linksaf /Sla linksaf / Ga naar links
Go right
Ga rechtsaf / Sla rechtsaf / Ga naar rechts
The sea / at the sea
de zee/ de zeeen (third e with 2 dots) / aan de zee
The park
Het park/ de parken
The shopping center
Het winkelcentrum/ de winkelcentra
The market / at the market
de markt / op de markt
THe cinema
De cinema
The city
De stad
The swimming pool
De zwembad
What can you do in the park? In the park you can walk
Wat kan je in het park doen? In het park kan je wandelen
What can you do at the restaurant? Eat something
Wat kan je op restaurant doen? Iets eten / Op restaurant kan je iets eten
I go saturday evening at the cinema, do you want to come with me? Yes , that is good!
Ik ga zaterdagavond naar de cinema, ga je mee? Ja, dat is goed!
What time do we meet?
How laat spreken we af? Om…
Where do we meet? At the entrance / by my house / at the bus stop
Waar spreken we af? Aan de ingang / bij mij thuis / aan de bushalte
“I go saturday at the park, do you want to come with me?”
“ I’m sorry, I can’t saturday, I have to work”
“What a pity, maybe next time!”
“Ik ga zaterdag naar het park, ga je mee? “
“Het spijt me, ik kan zaterdag niet. Ik moet werken”
“Spijtig! Een andere keer misschien”
Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, but I have no time
Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik heb geen tijd
Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, but I don’t want to
Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik heb geen zin
Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, I’m tired
Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik ben moe
Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, I’m sick
Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik ben ziek
What are you doing? I am …
Wat ben je aan het doen? Ik ben aan het lezen / studeren / dansen
the museum
Het museum / de museums
the bus stop
de bushalte/ de bushaltes
TO invite (separable verba)
uitnodigen (ik nodig uit)
MOdale verba: I can (infinitief)
Ik kan / jij kan or kunt / hij, zij, kan/ wij, jullie, zij kunnen
I cannot come
Ik kan niet komen
I am learning Dutch
Ik ben Nederlands aan het leren
You are reading a book
Jij bent een boek aan het lezen
He is working at the computer
Hij is op de computer aan het werken