Chapter 9 Flashcards

Ga je mee?

1
Q

Adult

A

De volwassene/ de volwassenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Go straight

A

Ga rechtdoor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Go straight until the bus stop

A

Ga rechtdoor tot aan de bushalte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Go left

A

Ga linksaf /Sla linksaf / Ga naar links

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Go right

A

Ga rechtsaf / Sla rechtsaf / Ga naar rechts

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

The sea / at the sea

A

de zee/ de zeeen (third e with 2 dots) / aan de zee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

The park

A

Het park/ de parken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

The shopping center

A

Het winkelcentrum/ de winkelcentra

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

The market / at the market

A

de markt / op de markt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

THe cinema

A

De cinema

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

The city

A

De stad

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

The swimming pool

A

De zwembad

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

What can you do in the park? In the park you can walk

A

Wat kan je in het park doen? In het park kan je wandelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

What can you do at the restaurant? Eat something

A

Wat kan je op restaurant doen? Iets eten / Op restaurant kan je iets eten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

I go saturday evening at the cinema, do you want to come with me? Yes , that is good!

A

Ik ga zaterdagavond naar de cinema, ga je mee? Ja, dat is goed!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

What time do we meet?

A

How laat spreken we af? Om…

13
Q

Where do we meet? At the entrance / by my house / at the bus stop

A

Waar spreken we af? Aan de ingang / bij mij thuis / aan de bushalte

14
Q

“I go saturday at the park, do you want to come with me?”
“ I’m sorry, I can’t saturday, I have to work”
“What a pity, maybe next time!”

A

“Ik ga zaterdag naar het park, ga je mee? “
“Het spijt me, ik kan zaterdag niet. Ik moet werken”
“Spijtig! Een andere keer misschien”

15
Q

Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, but I have no time

A

Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik heb geen tijd

16
Q

Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, but I don’t want to

A

Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik heb geen zin

17
Q

Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, I’m tired

A

Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik ben moe

18
Q

Is’ nice weather, do you want to come walk with me? I’m sorry, I’m sick

A

Het is mooi weer. Ga je mee wandelen? Het spijt me, maar ik ben ziek

19
Q

What are you doing? I am …

A

Wat ben je aan het doen? Ik ben aan het lezen / studeren / dansen

20
Q

the museum

A

Het museum / de museums

21
Q

the bus stop

A

de bushalte/ de bushaltes

22
Q

TO invite (separable verba)

A

uitnodigen (ik nodig uit)

23
Q

MOdale verba: I can (infinitief)

A

Ik kan / jij kan or kunt / hij, zij, kan/ wij, jullie, zij kunnen

24
Q

I cannot come

A

Ik kan niet komen

25
Q

I am learning Dutch

A

Ik ben Nederlands aan het leren

26
Q

You are reading a book

A

Jij bent een boek aan het lezen

27
Q

He is working at the computer

A

Hij is op de computer aan het werken