Chapter 12 Flashcards
Wat eten je vandaag?
Salad
De sla
Garlic
De knoflook
Onion
De ui / de uien
Eggplant
De aubergine/ de aubergines
Zucchini
De courgette / de courgettes
Cucumber
De komkommer / de komkommers
Carrot
De wortel/ de wortels
THe tomato
De tomaat/ de tomaten
Cauliflower
de bloemkool/ de bloemkolen
Paprika
De paprika/ de paprika’s
Lemon
De citroen/ de citroenen
Apple
De appel/ de appels
Orange
De sinaasappel/ de sinaasappels
Grapes
De druif/ de druiven
Banana
De banaan/ de bananen
Pear
De peer/ de peren
Steak
de biefstuk/ de biefstukken
Minced meat
het gehakt
cake
de taart/ de taarten
Fruit juice
Het fruitsap/ de fruitsappen
Dairy products
de zuivelproducten
Cream
de room
Ice cream
Het roomijs
Food (?)
De voeding
Chickpeas
De kikkererwt/ de kikkererwten
Olive oil
De olijfolie
Non food
de niet-voeding
Tootbrush
De tandelborstel/ de tanderborstels
shampoo
de shampoo/ de shampoos
laundry detergent
Het wasmiddel/ de wasmiddelen
Packaging: bottle, jar, can, box, bag, pack
de verpakkingen: de fles, de pot, het blik, de doos, de zak, het pak
bunch of grapes
de tros druiven
bunch of bananas
de tros bananen
kitchen shelves
de kast/ de kasten
fridge
de ijskast/ de ijskasten
Supermarket trolley
De winkelwagen / de winkelwagens
Cash register
De kassa/ de kassa’s
Self cash register
De zelfscankassa/ De zelfscankassa’s
the grocery list
het boodschappenlijstije/ de boodschappenlijstjes
the supermarket shelves (?)
de afdeling/ de afdelingen
the hallway
de gang/ de gangen
to buy
kopen (ik koop)
to pay
betalen (ik betal)
to go get something
halen (ik haal)
where are the fries?
Waar liggen de frieten?
where is the cola?
waar staat de cola?
bring me
meebrengen (ik breng mee)
The fries are in the third hallway on the left
De frieten liggen in de derde gang link