Chapter 10 Flashcards
Wat scheelt er?
How are you?
Hoe is ‘t? / Hoe gaat het (ermee)? / Hoe gaat het met jou?
How are you? (Negative answers)
Ik voel me niet goed / Niet zo goed / Slecht / Heel slecht
What’s wrong?
Wat scheelt er?
Get well soon
Veel beterschap!
You’re at the doctor. Say AAAA
Zeg eens aaa….!
You’re at the doctor. Stick your tongue out
Steej je tong eens uit
You’re at the doctor. Cough
Hoest eens!
You’re at the doctor. Breathe in and out
Adem diep in en uit!
You’re at the doctor. take off your shirt
doe je hemd maar even uit
take before the meal
voor de maaltijd innemen
take during the meal
tijdens de maaltijd innemen
take after the meal
na de maaltijd innemen
arm
de arm / de armen
the hand
de hand / de handen
the foot
de voet / de voeten
the belly / stomach
de buik / de buiken
the knee
de knie / de knieen (second e with 2 dots)
the nose
de neus / de neuzen
the head
het hoofd / de hoofden
the back
de rug / de ruggen
toes
de teen / de tenen
the shoulder
de schoduer / de schouders
fingers
de vinger / de vingers
eye
het oog / de ogen
the ear
het oor / de oren
the leg
het been / de benen
the body
het lichaam / de lichamen
I have a cough
Ik moet hoesten
I have a stomachache
Ik heb buikpijn
I have backache
Ik heb rugpijn
I have a sore throat
Ik heb keelpijn
I have a cold
Ik ben verkouden
I have pain at my shoulder
Ik heb pijn aan mijn schouder
I have pain at my leg
Ik heb pijn aan mijn been
I have pain at my knee
Ik heb pijn aan mijn knie
I have pain at my foot
Ik heb pijn aan mijn voet
I have a fever
Ik heb (38°) koorts
I have a headache
Ik heb hoofdpijn
I have tooth ache
Ik heb tandpijn
I have ear pain
Ik heb oorpijn
I have a cold / I have to sneeze
Ik moet niezen
Antibiotic
Het antibioticum / de antibiotica
the medicine
Het medicijn / de medicijnen
the syrup
de hoestsiroop / de hoestsiropen
pill
het tablet / de tabletten
spray for the nose
de neusspray / de neussprays
times per day
keer per dag