Chapter 2 Flashcards
Wie is dat?
where do you live?
Ik woon in … en jij?
how do you go to school?
How kom jij naar school?
how do you go to school? with the train
Ik kom met de trein naar school
how do you go to school? with the bus
Ik kom met de bus naar school
how do you go to school? with the subway
Ik kom met de metro naar school
how do you go to school? with the tram
Ik kom met de tram naar school
how do you go to school? with the car
Ik kom met de auto naar school
how do you go to school? with the scooter
Ik kom met de brommer naar school
how do you go to school? with the bike
Ik kom met de fiets naar school
how do you go to school? with the electric scooter
Ik kom met de step naar school
how do you go to school? on foot
Ik kom te voet naar school
how do you go to work? (Answer)
Ik ga … naar het werk
0
nul
1
een
2
twee
3
drie
4
vier
5
vijf
6
zes
7
zeven
8
acht
9
negen
10
tien
How long have you lived in Belgium?
Hoelang woon jij al in Belgie? (two dots on final e of Belgie) Ik woon … in Belgie
to be married
getrouwd/ ik ben getrouwd
to be divorced
gescheiden/ ik ben gescheiden
be with someone/ live with someone
Ik ben samenwonend/ ik woon samen
to be single/ to live alone
aleenstaand/ ik woon alleen
are you married?
Ben je getrouwd?
Do you have kids?
Heb jij kinderen?
the boy kid
de jongen/ de jongens
the girl kid
het meisje/ de meisjes
the son
de zoon
the mother
de mama
the daughter
de dochter
the father
de papa
How many kids do you have?
Hoeveel kinderen heb jij?
who is Aisha married to?
Met wie is Aisha getrouwd?
the woman
de vrouw/ de vrouwen
the man
de man / de mannen
the child
het kind/ de kinderen
one day
1 dag/ dagen
one week
week
one month
maand
one year
jaar