Chapter 1 Flashcards
Wie ben jij?
Good morning!
Goeiemorgen!
Good day!
Goeiemiddag!
Good evening!
Goeienavond!
What’s your name?
Hoe heet jij? / Ik heet…
Who are you?
Wie ben jij?
Nice to meet you
Aangenaam
What is your name?
Wat is je/jouw voornaam? Mijn voornaam is..
How do you spell it?
How spel je dat?
What is your surname?
Wat is je familienaam? Mijn familienaam is…
How are you?
Hoe is ‘t? / Hoe gaat het? / Hoe gaat het ermee? / Hoe gaat het met jou?
How are you Great/ all good/ good/ ok /not so good/ bad/ very bad/ and you?
Prima! / Heel goed/ Goed/ OK/ Het gaat wel / Niet zo goed / Slecht /Heel slecht /… en met jou?
Where are you from?
Uit welk land kom jij? Ik kom uit … en jij?
What language do you speak?
Welke tal spreek jij? Ik spreek …
What languageS do you speak?
Welke talen spreek jij? Ik spreek …
Language: Dutch
Nederlands
Language: English
Engels
Language: French
Frans
How to say language
De taal/ de talen
country
het land/ de landen
The projector
De beamer
The blackboard
het bord
the student
de cursist
the door
de deur
clothes hanger
de kapstok
chalk
het krijtje
de sink
de lavabo
laptop
de laptop
the teacher
de leerkracht
the window
het raam
the marker
de stift
the chair
de stoel
the tablet
de tablet
the table
de tafel
the ruler
de lat
the pencil case
de pennenzak
phone
de smartphone / GSM
white paper
het blad papier
the pen
de balpen
the pencil
het potlood
the rubber
de gom
scissors
de schaar
the book
het boek
the highlighter
de markeerstift
the backpack
de rugzak
First name
de naam / de namen, de voornaam/de voornamen
surname
de familienaam/ de familienamen
Personal prononouns (I, you, he, ..)
Ik, jij = ze, u, hij, zij = ze, wij = we, jullie, zij = ze
Possessive pronouns (my, your, hism …)
Mijn,
jouw = je, uw,
zijn (his) , haar (hers),
onze (de +name),
ons (het+ name), jullie,
hun (their)
Verb to have
Ik heb, jij/je/u hebt, hij/zij/het heeft, wij/we hebben, jullie hebben, zij/ze hebben
Verb to be
Ik ben, jij/je/u bent, hij/zij/het is, wij/we zijn, jullie zijn, zij/ze zijn