Werkwoorden workout Flashcards
verstevigen, versterken, gespierd maken
muscler
(zich) plaatsen
(se) placer, (se) mettre
bewegen
bouger
strekken
gestrekt
tendre
papa= tendu
een rechte lijn vormen
former une ligne droite
aanspannen
serrer
plooien
plier
raken
toucher
terugkeren naar de beginpositie
revenir à la position initiale
duwen
pousser
naar boven/ omhoog brengen/ gaan
monter
naar beneden/ omlaag brengen
descendre
buigen
se pencher
veranderen, verwisselen
changer
gaan liggen
s’allonger
(aan)houden
garder, maintenir
(opnieuw) opheffen
(re)lever
soulever
je voet voor/ achteruit zetten
mettre le pied devant/ derrière
stretchen, zich uitrekken
s’étirer
rusten
se reposer
spreiden
écarter
inandemen
inspirer
uitademen
expirer
springen
sauter
de armen langs het lichaam
les bras le long du corps
de armen open (langs opzij)
les bras ouverts (sur les côtés)
(plat) op de grond
(à plat) sur le sol
de rechterhiel
le talon droit
het linkerbeen
la jambe gauche
steunend op de armen
en appui sur les bras
op de knieën
à genoux
naar voor (2)
vers l’avant
en avant
naar achter
vers arrière
en arrière
op de zij(kant)
sur le côté
dichtbij de
près du/ de la/ des
opgelet voor (sub)
attention à
opgelet om te (inf)
attention de
denk eraan om te (inf)
veillez à
het is nodig om te (inf)
il est nécessaire de
het is belangrijk om te (inf)
il est important de
het is van het grootste belang om te (inf)
il est primordial de
het is essentieel om te (inf)
il est essentiel de
je moet/ U moet (inf)
il faut
het is beter om te (inf)
Il vaut mieux
probeer om te (inf)
essayez de
vergeet niet om te (inf)
N’oubliez pas de
het is nodig dat (subj)
il faut que
het is beter dat (subj)
il vaut mieux que
het is belangrijk dat (subj)
il est important que
het is nodig dat (subj)
il est nécessaire que