verbes avec prépositions/DE Flashcards
toebehoren aan iemand
Appartenir à guelqu’un
PREPOSITION
deelnemen aan iets
participer à quelque chose
PREPOSITION
Vragen aan iemand
Demander à quelqu’un
PREPOSITION
iets (een beetje) begrijpen van
comprendre quelque chose à
PREPOSITION
niets begrijpen van
Ne comprendre rien à
PREPOSITION
denken aan iets
penser à quelque chose à
PREPOSITION
het hoofd bieden aan iets
faire face à quelque chose
PREPOSITION
gehoorzamen aan iets/iemand
Obéir à quelqu’un/ à quelque chose PREPOSITION
sparen voor iets
Epargner pour quelque chose
PREPOSITION
geld uitgaven aan iets
Dépenser de l’argent à quelque chose
PREPOSITION
overeenstemmen met/ kloppen met iets
correspondre à quelque chose
PREPOSITION
een voorkeur hebben voor iets
avour une préférence pour quelque chose
PREPOSITION
uitkijken over iets
donner sur quelque chose
PREPOSITION
deelnemen aan iets
participer à quelque chose
PREPOSITION
op reis vertrekken met iemand
partir en voyage avec quelqu’un
PREPOSITION
logeren in een hotel
loger dans un hôtel
PREPOSITION
met iemand in de bus zitten
être avec quelqu’un dans le bus
PREPOSITION
op een plaats zitten
être assis à une place
PREPOSITION
met iemand reisen
voyager avec quelqu’un
PREPOSITION
langs een plaats passeren
passer par un endroit
PREPOSITION
denken aan iets/iemand
penser à quelque chose/ à quelqu’un
PREPOSITION
nodig hebben
avoir besoin de
dromen van
rêver de
zin hebben in
avoir envie de
praten over
parler de
klagen over
se plaindre de
wantrouwen
se méfier de
lachen met
rire de
verliefd zijn op iemand
être amoureux de
trots zijn op
être fier de
tevreden zijn met
être content de
verantwoordelijk zijn voor
être responsable de
zich bezig houden met/ zorgen voor
s’occuper de
gebruik maken van
se servir de
discussiëren over
discuter de
gaan over
agir de
zich schamen over
avoit honte de