Week 1 Flashcards

1
Q

Wanneer spreek je van prematuriteit?

A

Bij een partus onder de 37 wkn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat gebeurt er met een kind die geboren wordt onder 24 wkn in Nl?

A

Geen actieve opvang.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is het verschil tussen perinatale sterfte en kindersterfte?

A
  • Perinatale sterfte is < 28 dgn na partus van mim 22 wkn/onbekende zwangerschapsduur, geboortegewicht > 500 g, kruin-hiellengte van > 25 cm.
  • Kindersterfte is < 5 jr na partus
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke stof wordt bij prematuriteit nog niet geproduceerd en waar zorgt dit voor?

A

Surfactant. (wordt pas vanaf wk 34 gemaakt)

Bestaat uit lipiden en eiwitten en wordt geproduceerd door type 2 pneumocyten. Dit zorgt voor een verlaging van de opp spanning in de alveoli.
–> als dit er dus niet is klappen longblaasjes dicht –> respiratoire insufficientie kind…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is premature retinopathie (ROP)?

A

Oogontwikkeling n in wk 34-36.

Bij premature geboorte zal door ineens O2 rijke omgeving de angiogenese in retina plotseling stoppen –> loslaten retina –> blindheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is Bronchopulmonale dysplasie (BPD)?

A

Architectuur van de longen is verstoord doordat kind nu in hyperoxische omgeving komt en deze ontwikkeling plaatsvindt in hypoxische omgeving.

Longen klappen dicht na uitademing door tekort aan surfactant –> veroorzaakt respiratory distress syndrome (RDS)

Bij geboorte normaal een stress respons waardoor cortisol gemaakt wordt –> sufactant prod stimulatie. Nu dus niet….

Op X-thorax zie je een witte waas
En histologisch: vermindering van aantal alveoli met relatief onrijp beeld van het longparenchym.

Kinderen hebben vaak ook minder geheugencapaciteit….

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat wordt gegeven bij een dreigende vroeggeboorte?

A

Antenatale steroiden (dexamethason/ betamethason)
–> stimuleert longrijping en productie surfactant.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Mortaliteit en morbiditeit bij prematuren is afhankelijk van 3 dingen, welke?

A
  • Geboortegewicht
  • Geslacht (jongens slechtere uitkomst)
  • Antenatale corticosteroiden toediening (beter!)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is een verworven infectie?

A

Een infectie van het kind, opgelopen na de bevalling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn congenitale infecties en waardoor worden ze veroorzaakt?

A

Infecties opgelopen tijdens de zwangerschap; TORCHES:

  • Toxoplasmose; aarde, kattenbak, rauw vlees
  • Others (hiv, parvo B19)
  • Rubella; vaccinatie tegen dus minder!
  • Cytomelago
  • HErpes simplex virus
  • Syfilis; relatief weinig in Nl
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de D van een congenitale infectie?

A
  • Moeder serologie IgM
    –> als IgM aanwezig is dan is er een primo-infectie
  • Kind serologie middels navelstrengpunctie / echo
  • PCR techniek
    –> snel en betrouwbaar voor kijken naar virale infecties (op basis van vruchtwater)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van congenitale infecties (TORCHES)?

A
  • Dysmaturiteit
    = mager lichaam en groot hoofd
  • Microcefalie
    = kleine schedelomtrek
  • Hepatosplenomegalie
  • Bloeduitstortingen
    = trombocytopenie, anemie, petechien in gelaat
  • Icterus
    = hierbij kan geconjugeerde hyperbilirubinemie passen. Ook denken aan hartafw of metabole stoornissen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het cytomegalovirus (CMV) en kenmerken?

A

Wordt doorgegeven via bloed, slijm, sputum, feaces, urine (hygiene omstandigheden)

  • Infectie verloopt vaak asymptomatisch
  • Niet zo erg bij niet zwangere vrouwen maar primo bij zwangeren wel want kan dan direct naar kind gaan zonder antistoffen…

Kenmerken:
- Milde prematuriteit
- Petechien/ purpera
- Icterus
- Hepatosplenomegalie
- Neurologische afw
–> microcefalie en periventriculaire verkalkingen in ventrikels
- Trombocytopenie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is de D van CMV?

A
  • PCR-CMV van urine of speeksel
    –> positief < 21 dgn postpartum is aanwijzing voor congenitale infectie
    –> na 21 dagen positief is lastig onderscheid met verworven.
    –> Dan PCR uitvoeren op verkregen bloed uit
    hielprik van 5/6 dagen postpartum
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de B van CMV?

A
  • Asymptomatisch niet behandelen want is zelf limiterend
  • Anders met gangciclovir behandelen als er sprake is van pneumonie, en chorioretinitis (kan leiden tot blindheid)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn symptomen van HSV bij een neonaat?

A

HUID IS NIET ALTIJD AANGEDAAN!

  • Gedissemineerd (eind eerste week)
    = lijkt op normale sepsis waarbij huid is aangedaan maar ook hersenen en longen (pneumonie)
    –> erg zeldzaam en hoge mortaliteit
  • Centrale zenuwstelsel (2de tot 3de week)
    = meningitis/ encefalitis maar celgetal is niet verhoogd
  • Huid, ogen en mond (2de week)
    = niet in brein, nauwelijks in longen, maar wel in huid, ogen en mond. Soms ook alleen slijmvliezen ipv huid.
    –> mildste vorm met beste afloop
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is de D en B van HSV?

A

D –> PCR van de oropharynx
B –> iv aciclovir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is conjunctivitis neonatorum, B?

A

= Afscheiding uit de ogen waardoor de oogleden dichtplakken en verdikken.
–> vaak door chlamydia trachomatis of Neisseria gonorrhoeae, is dus verworven.

B –> antibiotica

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat zijn de alarmsignalen van een kind met sepsis of meningitis en wat zijn de verwekkers?
(verworven infectie)

A
  • Kinderen kreunen (proberen alveolaire druk te verhogen)
  • Grauw uiterlijk van kinderen tgv slechte perifere circulatie
  • Temperatuurinstabiliteit
  • Apneus/ bradycardieen
  • Convulsies (stuiptrekkingen)
  • Weinig/ niet actief kind

Verwekkers:
- Groep B streptokokken
- E. coli
(via rectum dus in vagina moeder)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is vaak de oorzaak van een pneumonie bij een pasgeborene?

A

Een GBS pneumonie
–> inactivatie surfactant –> minder opp spanning –> longen minder luchthoudend –> longen wit op MRI.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is de behandeling voor vrouwen met risicofactoren op een GBS-kolonisatie?

A

= antibioticaprofylaxe (penicilline)
–> alleen effect op incidentie van early onset GBS

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is postmortem onderzoek en wat is ad vitam onderzoek?

A
  • Postmortem oz = onderzoek van placenta
  • Ad vitam oz = oz op ander weefsel
21
Q

Wat zijn de belangrijkste afwijkingen van de placenta?

A
  • Placentaire insuf
  • Intra uteriene infecties
    –> chorioamnionitis (ontsteking vliezen –> te vroeg gebroken)
    –> funisitis (ontsteking navelstreng)
    –> transplacentair (villitis of TORCHES)
  • Pre eclampsie
    –> sprake van infarcering
    –> ook hier kernhoudende ery’s (na 20 wkn path)
  • Terminale villus deficientie
    –> vaak onvermogen tot uitrijping door DM
    –> syncytiotrofoblast laag verdwijnt niet
    –> placenta bevat oedeem
    –> gaswisseling dus minder efficient
  • Solutio placentae
    –> levensbedreigend voor foetus dus direct sectio
  • Navelstrengproblemen
    –> knoop, omstrengelingen of prolaps
  • Chronische histiocytaire intervillositis
    –> rea van maternale macrofagen tegen placenta
    –> geeft ontsteking
    –> influx van histiocyten leidt tot verstoorde placentaire doorbloeding
22
Q

Hoe zorgt een COVID-19 infectie tijdens de zwangerschap voor placentaire disfunctie?

A

Virus kan syncytiotrofoblasten infecteren –> necrose van trofoblasten –> infiltraat met histiocyten –> minder diffusie –> IUGR / IUVD

In slechts enkele gevallen wordt virus overgedragen aan kind zelf.

23
Q

Wat is necrotische enterocolitis (NEC), B?

A

Ontsteking van terminale ileum, coecum, colon ascendens ong 2 wkn na partus.

Pathogenese onbekend.

Bacterien zouden vanuit de darm de circulatie in kunnen –> perforatie, sepsis, dood

Krijgt dan tekenen van necrose, ulceraties, pneumatosis, intestinalis (luchtvorming in darmwand)

B –> conservatief of operatieve darmresectie en preventief helpt moedermelk

24
Q

Hoe leiden nier- en diafragma afwijkingen tot een premature respiratoire insufficientie?

A
  • Nier: te weinig plassen –> minder vruchtwater –> minder longontwikkeling
  • Diafragma: als deze niet aangelegd is kan inhoud darm in thorax komen en longontw in de weg staan.
25
Q

Wat zijn risicofactoren voor een wiegendood (sudden infant death syndrome; SIDS)?
–> oorzaak dus onopgehelderd na onderzoek
–> bij SUDI wordt oorzaak wel gevonden
(sudden unexpected death in infants)

A
  • Buikslapen
  • Slapen in bed ouders
  • Hyperthermie (te veel dekens)
  • Slapen op zacht opp
  • Jonge maternale leeftijd
  • Roken/ drugsgebruik
  • Laag SE status
  • Kinderen kort op elkaar geboren
  • Prematuur kind
  • Mannelijk geslacht
  • Meerling
  • SIDS bij broertjes/zusjes
  • Respiratoire infectie
  • Hersenstamafw
26
Q

Wat is farmacokinetiek en welke 4 fasen bevat het?

A

Wat het lichaam doet met de medicatie.

ADME
- Absorptie
- Distributie
- Metabolisme
- Eliminatie

27
Q

Wat gebeurt er tijdens de absorptie van een medicijn in het lichaam?

A

–> bepaalt de biologische beschikbaarheid van medicijn en hangt af van verschillende factoren:

  • Absorptiesnelheid
    –> vertraagd
  • Zuurgraad
    –> bij neonaat (tot 12 dgn) is PH in maag hoger (7)
    –> hierdoor kunnen er hogere conc van bijv penicilline in het bloed komen
    –> kan toxisch worden
    –> hele zure medicatie wordt juist slecht opgenomen
  • Darm
    –> duurt langer om medicatie in darm op te nemen
  • Enzymactiviteit
    –> CYP450 in darm zorgt voor lagere spiegels werkzame stof door medicatie in enterocyt te houden.
    –> foetus heeft weinig enzym dus hogere spiegels
  • Efflux transporters
    –> transporteren middel naar darmlumen waardoor het niet in circulatie komt (transporters nemen na geboorte toe)
  • Passagesnelheid
    –> eerste 6-8 mnd vertraagde maaglediging dus ook vertraagde absorptie. Daarna normaal.
  • Darmfunctie
    –> darmwand neonaat is meer permeabel grotere moleculen
    –> darmflora verschilt –> andere opname
28
Q

Waardoor kan een lokaal toegepast medicijn voor een kind schadelijker zijn?

A

Huidopp van een kind is in verhouding groter –> hierdoor kan bloedspiegel hoger worden dan bij een volwassene.

29
Q

Wat gebeurt er tijdens de distributiefase van de farmacokinetiek in een kind?

A

Distributie van medicijn is afhankelijk van lichaamssamenstelling (vet-/waterverdeling)

–> Bij kind tot 6 mnd is er relatief veel water en weinig vet. Dus wateroplosbare geneesmiddelen hebben een hogere dosis nodig!

30
Q

Welke 4 zaken beinvloeden het metabolisme van de farmacokinetiek?

A
  • Ontogenie
    = de CYP enzymen zorgen voor een fase-l-reactie. Concentratie is hoogst rond 5-15 jaar.
  • Genetische polymorfismen
    = genetische verschillen zorgen ervoor dat medicatie heel snel/ juist langzaam wordt omgezet.
    –> bijv of je gemuteerd CYP enzym hebt
  • Het effect van een ziekte
    = ziekte –> meer inflammatie –> lager metabolisme –> langere halfwaardetijd –> lagere klaring medicatie
  • Co-medicatie
31
Q

Wat gebeurt er tijdens de eliminatie fase van de farmacokinetiek?

A

Eerste maanden na geboorte heb je lagere nierfunctie –> lagere klaring.

Aan einde eerste levensjaar is deze gelijk aan volwassen nierfunctie!

32
Q

Wat is farmacodynamiek en wat zijn voorbeelden hiervan?

A

Wat het geneesmiddel doet met het lichaam; bijwerkingen. Dit is bij kinderen veelal onbekend.

  • Tetracyclines; permanente verkleuring tanden
  • Corticosteroiden; effect op botgroei
  • Antihistaminica; verhogen kans wiegdood
33
Q

Wat zijn de aandachtspunten voor medicatie toedieningsvormen voor kinderen?

A
  • Smaak: vaak is medicatie bitter door alcohol
    (daardoor lost geneesmiddel goed op en ook de smaakstof, te hoge dosis is natuurlijk schadelijk)
  • Hulpstoffen: conserveringsmiddelen, oplosmiddelen (alcohol), kleurstoffen, geurstoffen en smaakstoffen (grootste negatieve effect op kinderen)
  • Beschikbaarheid: kinderen worden door ethische redenen niet in wetenschappelijk onderzoek betrokken. Middelen zijn hierdoor vaak niet geregistreerd en onderzocht voor kinderen <12.
34
Q

Hoe verloopt de groei na het eerste levensjaar vergeleken met het eerste jaar?

A
  • Eerste jaar het hardst en vooral oiv voeding
  • Daarna tot puberteit daalt groeisnelheid. Bij groei spelen nu vooral hormonen een belangrijke rol en genen, voeding en omgevingsfactoren.
35
Q

Hoe wordt de normaalwaarde bepaald voor of iemand te klein of te groot is?

A

Lengte wordt vergeleken met leeftijd, geslacht en puberteitsstadium.

De “normaal” ligt bij -2SD / +2SD
80% van de groei is genetisch bepaald.

36
Q

Mbv de groeicurve kan de target height bepaald worden. Hoe wordt deze berekend?

A

Mbv gemeten lengte van beide ouders. Er mag max 20 cm verschil tussen hen zitten.

Range is +/-1.6SD oftewel +/-9 cm.
–> dat betekent dat broers en zussen max 18 cm van elkaar kunnen verschillen!

37
Q

Wanneer wordt er gedacht aan pathologie in de groeicurve van een kind?

A
  • Groei afbuiging of versnelling; 1 SD bij herhaalde metingen
  • Groot verschil met streeflengte; +1.6 SD in vergelijking met target heights
  • Te kleine of te grote lengte; < -2 of > +2 SDS bij normale target heights
38
Q

Door welke soorten stoornissen kan een afwijkende lengtegroei tot stand komen (te klein)?

A
  • Primaire groeistoornis
    = interne invloed uit epifysairschijf
    –> afwijkende groei vanaf geboorte
    –> disproportie zoals korte armen/ benen
    –> door mutaties in genen
    Bijv in SHOX, NPR2, ACAN, SGA (is een aparte groep welke te klein geboren worden en groei niet meer inhalen)
    –> met dismorfe kenmerken vaak door chromosoomafw –> Turner, Prader Willi, Silvester Russel, Uniparentale disomie (UPD)
  • Secundaire groeistoornis
    = door omgevingsfactoren
    –> eerste instantie normale groei –> afbuiging
    –> door voeding, endocriene signalen, cytokinen, omgevingsfactoren, emotionele deprivatie (mishandeling), iatrogeen
  • Idiopathische groeistoornis (80%)
39
Q

Wat is een SHOX gerelateerde groeistoornis, S?

A

= Groeistoornis met dysmorfe kenmerken

Er is een afwijking nodig in beide pseudo-autosomale regio’s –> hierdoor ontstaan deleties en puntmutaties.

S –> korte armen en benen, spierhypertrofie, madelungse deformiteiten (afw polsstand en onderarm)

40
Q

Wat is het syndroom van Turner, S?

A

= Groeistoornis met dysmorfe kenmerken

Er is sprake van 45X0

S –> ptosis (hangende oogleden), laagstaande oren, brede nek, korte benen, hartafw, nierafw, PCOS.

Groei na eerste jaar is vertraagd maar kan met GH gestimuleerd worden.

41
Q

Wat is het Silver Russell syndroom, S?

A

= Groeistoornis met dysmorfe kenmerken

S –> SGA, prominent groot voorhoofd, te laag BMI, kromme pink, assymetrie van lichaam, postnataal slechte groei

Groei is na eerste jaar vertraagd maar kan met GH gestimuleerd worden.

42
Q

Wat is het endocriene kruis en waardoor ontstaat deze?

A
  • Afgenomen lengtegroei
  • Toegenomen gewicht
    –> deze lijnen kruisen elkaar dus
    –> dit wijst op een hypothyreoidie
43
Q

Wat is het syndroom van Cushing en waar zorgt het voor, O, S?

A

= hypercortisolisme –> afbuigende lengtecurve met een toename van gewicht.

O –> ACTH producerende tumor in hypofyse (ziekte)
–> cortisol producerende tumor in bijnier
(syndroom)

S –> emotionele problemen, moeheid, zwakte, vollemaansgezicht, striae, hirsutisme

44
Q

Wanneer wordt er bloedonderzoek gedaan bij kinderen met een afwijkende lengte?

A

Alle kinderen < 2 jaar met kleine lengte van SD < -2.

45
Q

Wat kan je mbv van een X-hand zien?

A

De botleeftijd

–> bij primaire groeistoornis is deze conform kalenderleeftijd
–> bij secundaire groeistoornis is deze jonger dan kalenderleeftijd

46
Q

Wat is een groeihormoon stimulatie test?

A
  • Clonidine/ arginine worden gegeven.
  • Meisjes > 8 en jongens > 9 worden vooraf geprimed met geslachtshormonen om gevoeligheid voor de test te vergroten.
  • Afhankelijk van combinatie IGF-l en oploop van groeihormoon mag er gesproken worden over groeihormoondeficientie.
47
Q

Wanneer heeft iemand een abnormale lengtegroei (te lang)?

A
  • > 1.6 SD boven target height
  • Prepuberale groeispurt van > 1 SD
    –> let wel op grotere lengtegroei bij mensen met obesitas dus neem BMI ook mee!
48
Q

Wat is het klinefelter syndroom, S?

A

= primaire groeistoornis, 47 xxy

S –> langer, in puberteit weinig testosteron dus puberteitsontwikkeling blijft achter, verminderde spier en haar vorming, kleine testis.

49
Q

Wat is het Marfan syndroom, S?

A

= primaire groeistoornis, autosomaal dominant.

S –> lengte valt vaak binnen target height, positieve thumb en wrist signs, hartproblemen, retinaloslating.

50
Q

Wat is AO bij kinderen met een grote lengte?

A

X-hand
–>vermoeden primair; genetisch oz
–> vermoeden secundair; lab oz

51
Q

Wat is de B voor een te grote lengte?

A
  • Epifysiodese = aanbrengen van schade aan knieschijven.
    Lengtereductie kan 6-7 cm worden!